vrijdag 21 juli 2017

36 HELLEBEEK OVER EN UIT

HELLEBEEK OVER EN OUT

Jaren later neemt de schrijver nog eens de pen ter hand, of liever hij zet zijn tekstverwerker aan, om voor eigen behoefte vast te leggen hoe het is vergaan met de mannen en vrouwen, zeg maar helden en heldinnen, die in de Hellebeekse levensverhalen aan de orde zijn gekomen. Het spreekt voor zich dat nog menig Hellebekenaar of Hellebeekenaarse een hoofdstuk of een alinea waard zijn in het boek der mensen van ons dorp. Merkwaardige personen zijn te vinden in alle buurtschappen, dorpen en steden van het land, van Europa, ja zelfs de hele wereld, voorbeelden genoeg. Een schrijver hoeft niet meer te doen dan zijn ogen open te houden en zijn oor te luisteren te leggen. Die geschiedenissen vertellen zichzelf. Aangezien hij niet aan publiceren toe is, de uitgeverijen mogen hem niet, mag niemand het hem euvel duiden dat hij geheel ingaat tegen de moderne, voor mijn part postmoderne, opvatting dat een verhaal geen begin, geen midden en geen slot mag hebben, een open einde en allez vooruit, geen verhaallijn of plot. Maar zo is het de medemensen in mijn verhalen niet vergaan, er is nu eenmaal een begin aan hun bewust leven geweest, zij ondergaan hun lot, spannend of vervelend en dan is het voorbij, ze verdwijnen in de mist door te trouwen, zich te storten op hun werk, voorrang aan hun boerderij, of door dood te gaan. Het liefst zou hij zijn levensportretten beperkt hebben tot diegenen die zich hielden aan een uitspraak die aan Ludwig van Beethoven wordt toegeschreven, iets in de zin van: ik erken geen ander teken van grootheid dan goedheid, waar ik die vind, daar voel ik mij thuis. Van Beethoven was een kwart Mechelaar, zouden Mechelse genen er iets mee te maken hebben? Sommigen beweren dat men al bij de eerste tonen van zijn grote symfonieën kan horen dat hij een Vlaming is, maar daar wil de schrijver niet verder op ingaan, dat is te ver gezocht. Wel heeft de schrijver mensen gekend en kent hij er nog die voldoen aan wat onze Ludwig als grootheid erkende, maar heel veel zijn het er niet.

Ver genoeg afgeweken van de taak die de schrijver zich na al die jaren nog eenmaal ter harte wil nemen: een einde breien aan de historiën en onthullingen die Hellebeek in beroering plachten te brengen in een tijdvak toen de mensen nog niet suf geslagen waren door dolgedraaide tv-programmatoren die menen dat er geen kijkcijfers te halen zijn zonder snelle wagens, flitsende motorfietsen, meppen met vuisten als mokers, voeten in zware lederen laarzen en stalen buizen als slagwapens die een os moeten vellen, machinepistolen die sneller vuren dan het geluid, kussen met open mond en om de vijf minuten een vrijpartij met in het rond vliegende kledingstukken, als het al geen ledematen zijn, en nog veel meer van die onwaarschijnlijke seksacrobatiek en raadselspelletjes natuurlijk.

Om maar niets te zeggen over de zogezegde levensechte series, waarin mensen als jij en de schrijver zouden uitgetekend zijn, maar voor geen geld zou hij in dergelijke wereld willen leven. Levensecht, het zou zo thuis kunnen gebeurd zijn, is de reclame boodschap. Wablief? Gelukkig is zijn leven en de levens die hij probeert te beschrijven niet vastgelegd op papier door een contingent scriptschrijvers, maar door het leven zelf.

Hier en nu wil hij tegemoet komen aan zijn eigen nieuwsgierigheid - daar mag hij aanspraak op maken, evenzeer als de lezers die hij nog niet heeft en jammer genoeg wellicht nooit zal krijgen - om te achterhalen en neer te schrijven wat er van onze kroniekfiguren die echt hebben geleefd is geworden en die hem, door over hun handelingen te schrijven en die geschriften te herlezen, na aan zijn hart zijn komen te liggen.

Bob Casteels.
Yvonne Callens, de weduwe van Bob Casteels, bleef haar gelofte trouw en is na de dood van Bob nooit nog met iemand naar bed geweest, hoewel het haar niet aan kandidaten heeft gemangeld. Ze was iets in de vijftig toen ze helemaal alleen kwam te staan en ging opnieuw bij haar ouders inwonen. Na hun dood behield ze de kleine boerderij die zo vol herinneringen was aan de jonge, wilde jaren van Bob en haar onuitroeibare, onverwoestbare, nooit afgevende liefde. Ze was klein van gestalte, zoals hij, maar dat maakte haar niet minder aantrekkelijk, goede waar in kleine verpakking. Ze werd een lief, oud vrouwtje met rimpels als het soort wijnappeltjes van lang geleden, die op een droge, vorstvrije zolder de winter doormaakten en wonnen aan karakter wat ze verloren aan sap. Ze leeft nog, heeft niemands hulp of bijstand nodig, doet nog zelf haar boodschappen en heeft van Bob die zalige glimlach overgenomen die hij opzette als hij teveel gedronken had en zwevend over de bijzondere gaven van zijn Anne begon te praten, zonder dat iemand nog naar hem luisterde.

Constant Michiels.
In de wereld van de journalistiek beter bekend, of berucht, als Lucien Terpentijn. Hij is Adrienne of Adi totnogtoe, en dat is al een hele tijd, trouw gebleven. Samen hebben ze inderdaad aan misdaadromans gewerkt, met wisselend succes. Te goed geschreven zoals dat gaat. Hun misdaadverhalen zijn zuiver op de graat, volgens de regels van de kunst. Policier gaat over politiewerk, daar hebben persoonlijke perikelen niets of weinig te zoeken, geen afgeketste liefdes, geen kinderen op een verkeerd spoor, niets van dat, alleen misdaad en het opsporen van de dader, die nooit aan de gerechtigheid weet te ontkomen. Veel moeilijker dan het eruit ziet, dat wisten reuzen op literair gebied uit ervaring al te vertellen.

Pit Tielemans.
Nooit heeft Pit er spijt van gekregen het aanbod van de pronte meneer van de grote sportclub te hebben afgeketst. In de krant las hij jaren later dat een vroegere medestudent, die hij kende met naam en toenaam, de post had gekregen die hem was aangeboden. Het bleek een superbaan, de medestudent bracht het tot de rang van manager in de club en verdiende geld als een minister. Pit niet, hij en Suzanne hadden in de jaren dat de collega miljoenen vergaarde, vier achtergebleven kinderen in huis gehad en hadden vier eigen kinderen op de wereld gezet, het oudste was al bijna volwassen. Hij werkte nog steeds op het Instituut en op Zilverschoon, een loopbaan volledig in mineur, in dienst van de medemens, hij verdiende de gouden medaille voor naastenliefde, maar die bestaat niet, daar is geen geld en geen belangstelling voor. Van Beethoven zou zich bij hem thuis hebben gevoeld.

Valerie Kerkstoel.
Verassend was de vroege dood van Marcel Casteels. Nog geen zeventig, jong naar de hedendaagse maatstaven, en ineens weg. Iedereen zei dat het beter was dat Marcel Valerie voorafging in het graf, Marcel zou het verlies van zijn geliefde Valerie nooit te boven zijn gekomen, daar was iedereen van overtuigd. De liefde tussen die twee was legendarisch, stemde tot afgunst, niemand had ze ooit woorden met elkaar zien hebben. Wat ze wel deden was schuine opmerkingen wisselen over hun bloeiend seksleven, als ze een grote bel cognac en een glas porto teveel op hadden. Grote, onsterfelijke liefde of niet, geen zes maanden later liep Valerie met een andere man, een vriend, die ze had opgescharreld in een vrijgezellencafé op de Grote Baan. Ze zei dat Marcel van haar was weggegaan, hij had het gat gelaten, zij niet. De Fikker vond het nogal kras voor iemand die zo met haar liefde te koop had gelopen, maar Wiske vond dat normaal, zij zou dat ook doen, maar niet binnen zes maanden. “Wat heb ik jou misdreven,” vroeg Victor zacht.

Sander Molenaars.
Op het OCMW was Sander Molenaars een jaar of twee van zijn pensioen verwijderd. Hij moest zo lang mogelijk in gemeentedienst blijven, zijn jaren in de privé wogen niet zwaar genoeg door voor zijn overheidspensioen. Frieda was op achtenvijftig jaar gestopt met werken en was begonnen wat meer te drinken, te veel eigenlijk. Eerst zoete witte wijn, dan porto, daar zat meer alcohol in, bier lustte ze niet en had ze overgeslagen, en nu zat ze aan de sterke drank. Maar ze deed haar werk in huis, het eten stond altijd gereed en ze gingen ook dikwijls uit eten, naar de Chinees, de Italiaan of de Griek en meer dan eens naar een vermaard, duur restaurant, die waren in de buurt groter in aantal dan gezellige, bruine cafés, daar moest men al bijna voor naar Noord-Brabant. In bed liet ze Sander begaan als ze te diep in het glas had gekeken. Dan was hij verplicht haar uit te kleden en voordat hij haar slaapjapon over haar hoofd trok profiteerde de oude geilaard ervan om in haar vagina te kijken en op haar buik te masturberen, ieder zijn pleziertje. Maar hij deed het ook niet meer alle dagen, de frequentie nam eer af dan toe en als hij gedronken had duurde het een eeuwigheid, soms meer dan een uur, voordat er een kwakje  uit kwam. Daarna had hij twee dagen zeer in zijn blauw gemarteld lieverdje.

Odiel Ottevaere.
Vroeger was loodgieter Odiel Ottevaere sterk genoeg om met twee rollen asfaltpapier op zijn bult de ladder op te lopen, nu kreeg hij zelfs Hortense nog nauwelijks van de grond getild, zijn krachten zwakten af. Hij was tot zijn zeventig jaar loodgieterij blijven doen omdat hij enerzijds bang was met zijn pensioen niet rond te komen en anderzijds omdat de mensen bleven zagen om de kleine, ondankbare klussen op te knappen waar de jonge garde van nieuwe loodgieters, die zich trouwens niet loodgieter lieten noemen maar lood- en zinkbewerker of iets dat met sanitairkundige te maken had, de neus voor ophaalden. Boven op een dak zag men ze bijna niet meer, dat was werk voor acrobaten, zoals het onbevreesde duo Odiel-Hortense vroeger was.

Odiel was een aardige, ronde dikke oude man geworden. Het burgerleven had Hortense, die een jaar of tien jonger was, deugd gedaan, ze had het voorkomen van een dame, en alleen zij die het wisten konden zeggen dat zij een hoer was geweest van eerste rang. Ze zaten de hele tijd thuis, van in de vroege middag onnozel naar de tv te kijken, alsof hun leven ervan afhing. Misschien was dat wel zo, misschien was de buis voor velen een prothese voor hun hersenen.

Enfin, ze zouden er beter aan gedaan hebben een wandeling te maken in de natuur om op een beschutte plaats van bil te gaan, maar wie zou het hen aan het verstand brengen, overigens lieten ze zich op gevorderde leeftijd in bed niet pramen, ze toonden zich nog altijd van hun werkzaamste kant, als Odiel niet eerst onder Hortense in slaap was gevallen, want zij ging nog altijd boven op hem, beroepsmisvorming was het of mogelijk ook ontembare geslachtsdrift, die haar in een bordeel had doen belanden.

Ernest Bellekens.
De wijngaard van Ernest en Tine Bellekens kon na tien jaar wedijveren met de beste uit de streek van de Dordogne. Ernest herinnerde zich nog de dag van hun vertrek en het doel dat zij zich hadden gesteld: de wereld intrekken. Maar na zes maanden bleef nog zoveel te vertimmeren en te vermetselen aan het oude huis in de wijngaard dat Tine en Ernest hun trektocht in de wijde, onbekende wereld nog zes maanden uitstelden en daarna nog zes maanden. Intussen had Ernest lessen gevolgd om te leren hoe zijn druivenstokken te snoeien en hoe hij van het druivensap most en wijn kon maken, de vinificatie. Dat verschilde van wijn maken van appelen en peren, als vroeger op de Cantecleer, maar was toch hetzelfde. Hij bracht meer wijn voort dan hij ooit zelf kon drinken en verkocht zijn overschot aan de coöperatie. Soms laadde hij zijn koffer vol met flessen, de keren dat hij naar Hellebeek afzakte, om er zijn vrienden een plezier mee te doen. In het begin was dat zo, later kon hij veel geld krijgen voor zijn wijn en nam dan alleen nog flessen mee voor Victor. Tenslotte werd zijn wereldreis op de lange baan geschoven maar eens kwam het ervan, dat namen ze zich stellig voor, in Afrika hadden de mensen hen nodig voor de energietoestellen van Wieken en Zon, zodra die werkten zoals het hoorde en zoals was gepland. Marieke en Felix liepen al school in Frankrijk, ze deden als de pygmeeën, die geen eigen taal hebben en de taal van de naburige stam spreken, maar met dit verschil dat ze daarnaast ook, met hun ouders, Nederlands onderhielden, althans een zuiderse versie van het Nederlands, een Nederduits dialect dat Clementine, inmiddels ook al voorbij het keren van de jaren, nooit anders dan Vlaams noemde.

Voor de eigenlijke doorbraak van de toestellen om kookwarmte te winnen uit zonnestralen, rekenden Ernest en Tine op Sooi Servrancks. Die was erin geslaagd Wieken en Zon zelfbedruipend te maken en winst over te houden. Van Bellekens mocht hij die winst weder beleggen en zo had hij al vijftien man aan het werk, die lelijke zonnecollectoren maakten voor op de daken van de huizen en waterreservoirs voor het opslaan van zonnewarmte. Telers onder glas hadden zijn voornaamste klanten kunnen zijn, die verkozen nog stookolie om te verwarmen, vanwege de staatssubsidies, maar daar leek een kentering in te komen. Om beter te kunnen toezien op de kwaliteit en de productiviteit gaf Sooi zijn productie niet meer in onderaanneming maar deed alles zelf en verschafte aldus werk aan de voormelde vijftien monteurs en een boekhouder, die ook de personeelsadministratie, de briefwisseling en het commercieel beleid ter harte nam. Sooi zat gebeiteld als bedrijfsleider. Gezien de redelijke gang van zaken op Wieken en Zon, wierf Sooi Servrancks een ervaren productieleider aan. Na twee jaar met de productiechef kon Sooi al met dertig metaalbewerkers Sint-Elooi vieren dat het kraakte. 

Voor Sooi, die op Cantecleer woonde, was het domein nog meer dan groot genoeg, hoewel het nu leek op een haan met afgehakte staart. Met een park, moestuin en landbouwgrond zat Sooi niet veel in, te veel werk dat weinig opbracht en zijn kinderen studeerden verder, daar stak hij liever zijn tijd in, mee volgen wat ze deden en er zelf wat van opsteken. Door het afknippen van de lus van de Deel woonde hij nu aan de overkant van de rivier, de kant van het industriepark.

Zjors Casteels.
Zoals te verwachten ging Claudette nog voor Zjors het graf in. Maar hij heeft het na haar dood niet lang meer getrokken. Hij sukkelde met zijn longen. Hij had zijn leven lang gerookt, maar daar kon het niet aan liegen, dat wist toch iedere roker. De gemiddelde leeftijd van de man lag boven de zeventig en die haalde hij niet. Nog net geen zestig, dat wist Victor van Wiske, zijn vrouw en de zus van Zjors, en Victor vertelde het aan de schrijver van dit stuk. Aangezien Zjors een Brusselaar was geworden, weten we weinig van zijn laatste levensjaren, alleen dat hij in een sanatorium was opgenomen en in leven bleef tot hij zijn laatste stuk long had uitgekucht. Wij vinden dat erg, roken zou geen straf mogen zijn, dat niet, maar het deugt niet, van geen kanten.

Melanie Vloeberghs.
Door de dood van Melanie Vloeberghs kwam het huisje aan de Deel leeg te staan. Tot ongenoegen van een aantal Hellebekenaars, maar tot lust van een even groot aantal andere Hellebekenaars, werd het huis verhuurd aan een Marokkaans gezin, man, vrouw en vier kinderen. Niemand die er last van ondervond dan zij die zich kwaad bloed maakten voor niets, want de vreemden lieten iedereen met rust. De vier kinderen liepen school in de gemeentelijke basisschool, leerden Vlaams, vier tweetalige Vlamingen meer die onze getalsterkte kwamen aandikken. Was dat niet mooi? Er was geen moskee in de buurt, de kinderen kregen dan maar gewijde geschiedenis op hun bord. Daar zag hun vader geen graten in, de moeder zeker niet. Zij was een aantrekkelijke vrouw, die alleen een hoofddoek, neusdoek zeggen wij, droeg als het erg koud was, en bij ons vriest het bijna nooit.

Boris Dicktus.
De tijdstheorie van de mandarijn Boris Dicktus, die van de hemelfobieën, heeft Constant Michiels wel opgetekend en in De Auroor laten afdrukken, toch een kwaliteitskrant, om te pogen de belangstelling van de wetenschap op te wekken. Misschien best zo, Boris of de journalist konden er niets mee winnen dan eeuwig belachelijk te worden gemaakt. De hele denkwereld op zijn kop zetten zouden ze een op sensatie beluste krant nooit gunnen. Ze waren bang dat hij gelijk zou kunnen hebben.

Flor Casteels.
Langelaar was geen afgelegen gehucht van Hellebeek meer, sinds de opgelegde verkaveling, het was een wijk geworden, een residentiële wijk, met al zijn voor- en nadelen: verharde wegen, riolering, waterleiding, kabeltelevisie, aardgas, tien keer meer verkeer op de Kempense steenweg, slechts een op tien van de bewoners waren nog eigenlijke Langelarenaars of zelfs Hellebekenaars, de oorspronkelijke bevolking bleef zitten met zijn Brabants, dat een verloren gevecht voerde tegen het verkavelingstaaltje van de yuppies. De grond van Flor Casteels, waar hij voor de oorlog rogge op teelde en daarna tarwe en asperges, en zijn weide daarachter, waren verkaveld, in stukken gesneden met aanduiding van de mooiste stukken, zo hing het uit bij de notaris, als de schematische tekening van een rund in de slagerij. Zelfs al had hij dat gewild, dan had Flor niets tegen de verkaveling kunnen inbrengen, want hij was toen al een paar jaar dood. Hij haalde net niet de tweeëntachtig. De laatste jaren leed hij sterk aan geheugenverlies, om niet van dementie te moeten spreken te zijner respectvolle gedachtenis. Louise hield haar vader thuis, hij mocht van haar niet naar Zilverschoon zo lang Levine nog leefde. Louise gaf Flor de hygiënische verzorging waar hij als vader en mens recht op had. In hetzelfde jaar nog stierf Levine, gesterkt door de genademiddelen van de kerk. Die had Flor ook meegekregen op zijn reis naar het hiernamaals, zonder het te beseffen, maar bij bewustzijn zou hij ze niet hebben geweigerd, dat deden er weinigen. Met onze eerste basisvoeding, de papfles, hebben de religie-enzymen zich vastgezet en we zullen ons lichaam er nooit volledig kunnen van zuiveren. Heel erg is dat niet. 

Ida Verhaegen.
De pleegmoeder van Victor, was weduwe Goethals-Verhaegen geworden. Mane was gestorven aan longkanker, kort na Flor maar zeventien jaar jonger. Hij had twee jaar van zijn pensioen genoten en in zijn leven niet gerookt, zo zien we dat roken niets met longkanker te maken heeft.

Victor Goethals.
Tot zijn pensioen was Victor sporadisch op Zilverschoon aanwezig, dat had Sander Molenaars hem niet helemaal willen ontnemen en hij had de voltallige voorgaande generatie oudjes er het bijltje zien bij neerleggen. Nu stond de generatie van Goethals zelf de eerste in de rij om het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen, om de kartoffelen van onder te bekijken zoals de Duitsers dat zeggen, hier en daar vielen al voortijdige gaten in zijn brigade van leeftijdgenoten, het was een zeker teken dat zijn beste jaren voorbij waren, hij was aan het slabakken. 

Als een van de voornaamste figuren uit de recente geschiedenis van Hellebeek nam hij vervroegd pensioen, hij wilde van zijn oude dag genieten zo lang dat kon. Hij woont nog steeds op de boerderij van Flor en Levine Casteels, nu met de residentiële verkaveling in zijn rug. Hij heeft wat veranderingen laten doen in het huis, centrale verwarming aanleggen en badkamer inrichten, wc binnenbrengen om in regen, wind en vorst niet meer naar buiten te moeten om te kakken of te pissen, van die kleinigheden. Hij fietst nog regelmatig naar Zilverschoon, als toeschouwer, zijn Wiske rijdt niet mee, een beetje lui, moe in de benen, zegt ze en ze kan daar niets gaan doen. Gaan dansen doen ze niet meer, het dorp is zo goed als dood, er valt doodeenvoudig niet meer te dansen. De enige overgebleven cafés zijn taveernes geworden, waar men een stukje kan eten, van de tap alleen kan de waard niet leven. Als je alleen maar een glas bier komt drinken en niets te eten bestelt, ziet hij je niet graag komen, je neemt de plaats in van andere eters. Zoals overal elders in de wereld is ook het plattelandse Hellebeek omheen geld begonnen te draaien. De nieuwe wijk, die Langelaar is blijven heten - de burgemeester wilde niet horen van stomme namen als Meiveld, Vogelenwijk of Germinal - is volgebouwd met middenklasse huizen, wat moeilijk te beschrijven, beter met eigen ogen komen zien. O ja, moeder Ida betrekt een kamer bij Victor en Louise en Wilfried woont in haar huis. Victor, de Fikker, is dikker geworden, maar niet half zo dik als Wiske. Van Emily heeft hij nooit meer iets vernomen, nog zelfs geen kaartje, alsof ze omgekomen is in een vliegtuigongeluk en verdwenen in de oceaan, maar dat zou in de krant hebben gestaan. Als vrijetijdsbesteding schrijft Goethals af en toe een paar bladzijden, zijn leven en het leven van de mensen uit zijn omgeving staan voorgoed op papier. Hij doet er niemand kwaad mee en heeft er zich bij neergelegd dat hij pas na zijn dood beroemd zal worden met zijn kronieken, die hij zelf zo graag naleest en zo dikwijls verbeterd en herschreven heeft dat er niets meer van overschiet dan wat veredeld proza.

De kinderen van Victor Goethals voltooiden hun studies. Urbain was geen leraar Germaanse talen in het middelbaar onderwijs willen worden. Hij zag er tegen op voor een klas te staan met dertig pubers van zeventien of achttien jaar, waarvan niet een vierde enige belangstelling had voor taal- en letterkunde, in de klas luisterden naar een walkman en niet eens in een beschaafde taal konden voorlezen. Hij had een baan gevonden bij een bank, om de promotiekrant een jurk van Algemeen Nederlands aan te meten. Irene had gestudeerd voor viertalig secretaresse en werkte voor een Amerikaanse multinational in Brussel. Haar baas begon om tien uur te werken en verlangde dat zij tot zes, zeven uur bleef, als de andere collega’s thuis al de tafel aan het afruimen waren. Ze aanvaardde dat, het was een jonge Amerikaan, we leefden in een nieuwe tijd en de Amerikaan moest zijn weg maken, hier, en dan terug naar Amerika, dat viel te vrezen. Wilfried had informatica gedaan en werkte als programmator voor een softwarebedrijf, een uitstekende uitvalbasis om stapelgek te worden. Urbain en Wilfried waren getrouwd. Urbain had een zoon, Wilfried was nog kinderloos. Van Irene was nog geen sprake van trouwen. Ze bleef dikwijls in Brussel overnachten, misschien had ze iemand, waarvan ze de nationaliteit of het geslacht geheim probeerde te houden, maar we wisten dat het de Amerikaan was, een man, als dat enig belang heeft.

In onderhavige kronieken is weinig aan natuurbeschrijving gedaan, zijn de weersomstandigheden bijna niet aan bod gekomen, roken lijkt niemand of weinigen te doen, er is geen enkele sigaret opgestoken maar dat kan toeval zijn, er zijn weinig beschrijvingen van gezichtuitdrukkingen en manieren van spreken aan bod gekomen. De schrijver rekent op het verbeeldingsvermogen van de lezer. De televisie wordt hier en daar vermeld als een niet al te verheffend medium, film valt uit de boot maar er is geen cinemazaal meer in Hellebeek. De schrijver heeft fouten gemaakt, een gevolg van zijn gebrek aan talent, niet altijd de wetten van de schoonschrijverij gevolgd, maar zijn bedoeling was zich te beperken tot het samenballen van het leven van mensen die wij allen hebben gekend. Voormelde ontbrekende kleine bijzonderheden kan iedereen er voor zichzelf wel bij verzinnen, maar echt nodig is dat niet.

De schrijver
Wenst onbekend te blijven.

Hier eindigt het relaas van bepaalde gebeurtenissen in Hellebeek, door een schrijver die zelf niet weet of hij een kunstenaar dan wel een knutselaar is, op papier gezet. Zoals overal op onze aarde zien in Hellebeek mensen het levenslicht, leven hopelijk lang genoeg om een volgende generatie te verwekken, sterven en vullen het tijdvak in tussen geboorte en dood, elk naar eigen lot, toeval en vermogen. Wie het geluk heeft op een plaats als Hellebeek te vallen als zijn geboortedorp en woonplaats, heeft onmetelijk meer de kans het er tamelijk goed af te brengen dan de ingezetenen van pakweg zeven achtste van de aardkloot. Wie voor een gezapig leven gewonnen is, kome naar Hellebeek, wie meer actie wil, avontuur, dynamisme, meer wil zien of beleven, mag ons, voor mijn part, zijn rug toekeren, ik benijd hem of haar niet. Overigens hadden en hebben wij ook onze passies, onze drama’s, onze liefdes, onze oorlogen, onze op- en neergangen, ons menselijk zijn.

Ook een niet erkende, onbekende schrijver voelt de onweerstaanbare drang te schrijven, hij weet zelf niet of hij een genie is of niet en zo lang hij leeft zal hij een allerlaatste keer hopen dat zijn talent aan de oppervlakte komt. Misschien ontdekt een verlichte recensent in zijn manuscript het werk van een Vlaamse primitief, of dat van een geboren maar ongeoefende en ongeschaafde verteller, met ontroeringkracht en wijsheid als enige waarden, maar zonder literair gewicht. Misschien maken causative formation of morfische resonantie een einde aan de voorspelbaarheid en wordt zijn boek wat het bedoelt te zijn: een bundel samengebalde levensverhalen, met de achterliggende bedoeling, het laatste restje overlevend dorpsleven vast te leggen van de periode van kort voordat de vernietigende inwerking van commercie, kijkbuis en stadsvlucht van onze dorpen doodse slaapsteden maakte. De kaak staat er nog voor de kerk, de bedoeling was plegers van wandaden te kijk te stellen, maar het gebruik van de schandpaal is in de negentiende eeuw afgeschaft. Vastenavondstoeten, harmoniemuziek, volkstoneel, dorpsscholen, brouwerijen, volksbals, processies, kruideniers, schoenmakers, cafés, trekpaarden, mussen, schoolkinderen, pastoors, onderpastoors, nonnen, straathonden, lameren, kolenboeren, keuterboeren, kerkgangers, zatlappen, leeglopers, blagueurs, kermiskoersen, de hele folklore, zijn uit het straatbeeld gewist. De moderniteit heeft meer kapot gemaakt dan een oorlog dat zou kunnen, in de oorlog was er tenminste nog een opleving van burenhulp, menslievendheid en saamhorigheid, een zekere vorm van socialisme, voor ons part christelijk socialisme, maar het was er en het werkte.

Al wat leeft copuleert en plant zich voort, elk op zijn manier, waarom? Waarom drijven levensdrang, voortplantingsdrift of gewoon seksdrang ons tot uiterste daden, als liefde terug te brengen is tot een chemisch proces. De godsdiensten hebben zich meester gemaakt van onze denkwereld en bieden schijnoplossingen voor alle problemen. Hoe had dit vermeden kunnen worden en wat kunnen we er nu nog tegen doen? Eeuwige vragen die de schrijver zich is blijven stellen, de antwoorden ontglipten hem steeds, maar dat deerde niet, hij was een onbezoldigd denker, hoefde geen resultaten voor te leggen. Hij gelooft nog steeds niet dat er een God bestaat, ooit komt Hij aan zijn deur kloppen om hem gelijk te geven. In zekere zin zijn zijn gedachten in hun zuiverste vorm wijsbegeerte, maar hij zal er nergens prijzen mee halen omdat hij geen universitair diploma heeft behaald.

Om in schoonheid te eindigen heeft hij zelf een Latijns slot bedacht, waarschijnlijk staat het vol taalfouten, maar alla, als hij het zelf maar begrijpt.

      
Hic historiae et revelatiae Hellebeekae finitae sunt.


35 HET VERDRIET VAN SANDER MOLENAERS

HET VERDRIET VAN SANDER MOLENAARS

Een goed half jaar na zijn aanstelling tot secretaris van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Hellebeek, het OCMW, mocht Sander Molenaars zich op de borst kloppen: hij deed zijn werk redelijk goed. Een plezante of liever malse mens van het kaliber Victor Goethals zou hij nooit worden, maar hij had tekenen gegeven van menslievendheid en was weinig keren bars of ruw uitgevaren tegen steunzoekenden of ondergeschikten. Daarom was hij gemachtigd af en toe achter zijn bureau niets te zitten doen dan spelen met zijn potlood, vergeefs te pogen het rechtop te doen staan en onreine gedachten te koesteren over verleidelijke vrouwen in bikini of niksnini, met welgevormde dijen, wat had je anders gedacht. Alle kerels van alle leeftijden hebben van die dromen die zondig zijn, de ziel zwart maken en zelden uitkomen.

"Als men heel lang en heel diep aan iemand denkt gebeurt het  dat die persoon op het toneel verschijnt, anders gezegd: als je van de duivel spreekt zie je zijn staart," zat Sander zichzelf wijs te maken. Hij was een ietwat zelfingenomen man en leed een beetje aan haantjesgedrag.

Hij richtte nu zijn overpeinzingen op zijn laatste en een van zijn zeldzame escapades, Christiane Cools, de secretaresse van zijn vorige baas, met wie hij zes maanden geleden alle sluizen had open gezet alsof hij alle vloeistof uit zijn lijf wilde spoelen. Hij kon haar nog hebben als hij dat wilde, als ze intussen niet op een andere sasmeester was gevallen. Een bed delen met een vreemde was overspel, doodzonde was hem altijd voorgehouden, alleen de biecht kon zijn recht op de hemel redden, maar biechten was een vreemde wijsmaken wat je had misdaan en daar liep gij niet hoog mee op. Hij peinsde dat het eerder doodzonde zou zijn geweest als hij zich niet had laten versassen.

Hij grinnikte om zijn nogal rare vergelijkingen en liet, zonder zondebesef, zijn op hol geslagen zinnen verder hun gangen gaan. Christiane, haar naam alleen al joeg meer dan een golf van fel stromend bloed geladen met testosteron door zijn lijf. Hij had het een keer met haar gedaan en het moet goed geweest zijn, want Christiane had voorgesteld om te gaan samenwonen en alle dagen juju paardje te doen. Hij had eerst gezegd dat met ernstige zaken niet gelachen wordt en na zware twijfel toch maar gekozen voor zijn vrouw Frieda, zijn geweten en niet zijn hart gevolgd of zijn ding, zoals ons soms door psychiaters wordt voorgehouden, een ding waar wetenschappelijk gezien zoveel gevoel in zit als in een hart, het blijven spieren, maar spieren met gevoel.

Bij zijn thuiskomst midden in de nacht was Frieda verschrikkelijk te keer gegaan. Ze zat hem op te wachten als een bloedhond, een bullebijter. Ze was gaan slapen en weer opgestaan toen hij wegbleef. Als hij thuiskwam voer ze op hem aan met het verwijt dat hij op een ander wijf gezeten had, de smeerlap, de hoerenbok. Sander probeerde met een meineed die beschuldiging af te weren en als zij hem niet geloofde had hij het beter toch gedaan, brulde hij terug. Dan was aan Frieda geen houden meer aan, Sander verweerde zich tegen haar trappen en nagels maar deelde geen klappen uit, om zware schade te vermijden. Als Frieda uitgeraasd en uitgeput was, begon ze te snikken als een klein kind. Sander zei dat ze zo niet verder konden, morgen zou hij uitzien naar een andere woonst en haar laten zitten. En nu wou hij slapen op de divan, hij had zijn rust nodig.

De volgende morgen werd hij wakker uit een nachtmerrie zo groot als het ros beiaard. Hij stond op, zette koffie, at een boterham en vertrok naar zijn werk. Frieda had zich niet laten zien. "Die is zich aan het masturberen," dacht hij cynisch, want dat deed ze nooit.

Op zijn werk belde zij hem op. Smekend vroeg ze hem om niet bij haar weg te gaan, dat overleefde ze niet. Sander dacht terug aan de belofte die hij zichzelf jaren geleden had gedaan, toen ze bij de psychiater een elektro-encefalogram onderging en met de papillotten op haar hoofdhuid zo wanhopig en verloren naar hem opblikte dat hij zwoer haar nooit in de steek te zullen laten. Een eed was een eed en hij belde Christiane om haar te zeggen dat hij bij Frieda bleef. Na een ogenblik twijfelen had Christiane aangedrongen: "En je zesde zintuig dan?" Daar wist hij geen beter antwoord op dan : "Amputeren zeker."  

Dat was dus zes maanden geleden geregeld en hij richtte ongehinderd zijn aandacht weer op het mooie lijf van Christiane, met opnieuw de zalige bijgedachte dat als je heel diep aan iemand denkt, die persoon komt opdagen en het wilde lukken, er klopte iemand op zijn deur. Sander schrok er van op en riep binnen. "Dat is de staart van de duivel", dacht hij hoopvol. De deur ging open en binnen kwam zijn klerk Victor Goethals. Die las de teleurstelling op zijn gezicht, maar zei niets.

"Wat nieuws," vroeg Sander, "toch geen probleem dat je zelf niet kunt oplossen."
"Niet mag oplossen, problemen oplossen is mijn werk niet, dat is voor de baas," nuanceerde Victor. "Ik wou alleen vragen of ik de halve dag vrij mag nemen."
"Om te schrijven," vroeg Sander, "ik heb gehoord dat je verhalen schrijft, heemkundige kronieken of zo wat. Ga je over mij schrijven?"
"Hebben wij zaken te bespreken of gaan wij een uurtje kletsen," vroeg Victor.
"Kletsen," zei Sander. "Ik heb gezien dat je verhalen uitdraait op een printer en die aaneen geniet in mapjes bij de krantenverkoper op de toonbank legt."
"Naast de mappen heb ik een blikken doos met een gleuf gezet en op een bordje staat: een kleine bijdrage graag om mijn kosten te dekken."
"En brengt het wat op?"
"Nul, ik doe het uit schrijversdrang."
"Waarom laat je je verhalen niet gewoon uitgeven? In boekvorm zijn die toch veel makkelijker te lezen dan op velletjes in A4 formaat."
"Ik vind geen uitgever, ze antwoorden niet of schrijven dat de tijd nu niet rijp is voor verhalenbundels. Ze kennen er niets van. Ik mag mijn verhalen gerust leggen naast alles wat in sommige kranten en tijdschriften verschijnt, maar krijg de kans niet. Toch is er verandering op komst. Ik ben op het idee gekomen om een soort cahier uit te geven dat ik 'Wereld-leescahier' wil noemen. Als ik een makelaar kan vinden die wat reclame op de kop kan tikken, liefst voor exclusieve merken, kan ik er wat aan verdienen. Ik heb een introductie geschreven voor de eerste cahier, als die ooit uitkomt. Je moet eens luisteren. Je bent nogal wat jonger dan ik, je vindt het misschien belachelijk."

Victor haalde een briefje uit zijn binnenzak en las voor:
"Onderhavig cahier wordt u gratis aangeboden door een aantal adverteerders die iets zien in het werk van bekende en minder bekende schrijvers die zich aan het kortverhaal hebben gewaagd of willen wagen. De redactie van Wereld-leescahier geeft de voorkeur aan goed geschreven, vlot lezende verhalen niet zonder literaire waarde maar met een pointe, vrij van literaire franjes die het verhaal nodeloos ingewikkeld maken.

Er zijn al magazines op de markt die een volledige roman in de vorm van een schrift voor € 2,99 te koop bieden, maar wij willen het kortverhaal kosteloos aanbieden met de bedoeling het de plaats te geven die het verdient: die van volwaardige schrijfkunst. Heeft verhalenverteller Ambroos Bierce niet reeds veel eerder geschreven of gezegd dat een roman een kortverhaal is met veel opvulsel. Dat opvulsel gaat er bij ons uit.

Het ligt niet in onze bedoeling om ons tot één genre te beperken. Ons allereerste verhaal is een drama, maar onze pagina's staan open voor romantiek, melodrama, detective, thriller, fantasie, western, populaire wetenschap en wijsbegeerte, essays, geschiedenis, futurisme, oorlog, epiek, SF, horror, sport, poëzie en een nieuw door ons verzonnen genre, de tisane. Een tisane is een bestaande roman helemaal ontdaan van zijn opvulsel, maar dit laten we voorlopig in onze lade liggen.

Men zegt dat het kortverhaal de Amerikaanse bijdrage is tot de wereldliteratuur. Kan zijn, maar er zijn voorlopers geweest, en niet van de minste zoals Boccaccio, Goethe en Hoffmann. En nog andere niet-Amerikaanse beoefenaars als Borges, Kafka, Herman Hesse, Guy de Maupassant, Isaak Babel en Graham Greene, naast Amerikaanse kleppers als Poe, Chandler, Hemingway, Carver en nog veel meer.

Wij willen een aantal oude verhalen van onder het stof halen, maar tegelijk schrijvers van nu, ook debutanten, aan het woord laten, en zeker door het lot onbekend gebleven kunstenaars in het daglicht stellen.

De redactie van Wereld-leescahier wenst jullie veel leesplezier."

Sander zei: "Een hele beginselverklaring. Maar gaat dat samen, kunst en reclame?"
"Waarom niet? Veel schrijvers zijn er gekomen doordat hun werken in bepaalde kringen worden gepropageerd door mensen die er profijt bij hebben, dat is ook een vorm van reclame. Zonder die steun wordt het moeilijk. Het spreekt vanzelf dat volstrekt waardeloos geschrijf weinig kans maakt, maar middelmatig, saai werk wordt veel te dikwijls in de hemel geprezen. En de uitgevers hebben hun kanalen om hun propaganda te verspreiden."
"En jij wil je dus op die manier met je verhalen tussen al die beroemde schrijver wurmen?"
"Zo iets, ja. Als je zelf vindt dat je goed schrijft, mag dat bekend worden gemaakt."
"Wat zou je er aan verdienen?"
"Een klein bedrag op elk verspreid nummer."
"Hoe ver sta je al met je project?"
"Ik heb een prototype gemaakt, nu nog iemand vinden, een agent of zo, om het uit te voeren. De cahiers zouden vooral gericht zijn op wachtzalen van dokters, tandartsen, advocaten, architecten, kappers, koffiesalons en zo voort."
"En wat als de bezoeker de tijd niet krijgt om het hele verhaal te lezen?"
"Dan zal hij het cahier wel meepikken. Mijn verhalen zijn geen verheerlijkingen van plaatselijke bekendheden, ik ben geen ghostwriter of hagiograaf, geen heemkundige. De burgemeester heeft mij al gevraagd een stuk over hem en zijn verwezenlijkingen te schrijven om dat op te nemen in het heemkundig tijdschrift. Zo iets doe ik niet, dat hij landwegen heeft laten asfalteren en grachten laten ruimen laat mij koud. Ik leg mij toe op literatuur, zoals de schrijvers die ik heb vermeld. Er zijn zo veel thema's. Het dorpsleven vroeger en nu bijvoorbeeld, merkwaardige figuren, de oorlog en de bezetting met zijn smokkelaars, verzetslieden, voortvluchtigen, mensen door tegenslag achtervolgd, vrouwen die slachtoffer zijn van de mannen, een blinde, afgewezen verliefdheid, een totaal gebrekkige mens, losbandige, levenslustige vrouwen, de mobilisatie en de grote verwarring, de pechvogel, muzikanten, of iemand die met een bijzondere theorie, voor de dag komt, met het schrikbeeld dat de mens zelf een oerknal kan ontketenen, passie, vooral passie, creatieve kunst, meer moet dat niet zijn."
Sander vroeg: "Verwikkelingen op kantoor, kan daar een verhaal in zitten?"
"Waarom niet, in alles zit een verhaal. Een boer die sterft is een verhaal."
"Ken ik. Luister dan. Ik heb op vele plaatsen gewerkt, bijna een dozijn vol. Op een keer werkte ik op een vestiging in Brussel van een Amerikaanse firma die elektronische geheugens maakte. Ik zat op kantoor met een Turkse Griek, een Oegandese Pakistani, een Amerikaanse Duitser, een jonge Nederlander die zijn weg nog moest zoeken en een Vlaams-nationalistische baas die te lui was dat hij zag. We kregen het bezoek van een grote baas uit Amerika, met een Stetson, zijn holsters was hij vergeten. Na zijn terugkeer in Amerika kregen wij het bericht dat hij er met een groot bedrag was van door gegaan. Dat bedrijf is verhuisd naar Frankfurt en ik ben niet meegegaan. Een andere keer ben ik van een goede baan weggegaan uit een gevoel van, groot woord, mededogen. Het was een Amerikaans bedrijf, alweer, dat werkte met zelfstandige verkopers. Zelfstandige verkopers, leurders, brachten huishoudspullen aan de man bij huisbezoeken en verdienden daar een mooi percent op. De verkoopsdirecteur, een Egyptenaar, was in dienstverband van de firma en kreeg massaal commissie op de verkoop die liep als een trein. Maar hij gedroeg zich als een despoot tegenover de verkopers, die hij als een zootje ongeregeld behandelde. Ken je het volkje van deur-aan-deur-verkopers, zonder vaste klanten, die dag na dag nieuwe afnemers moeten zoeken? Ze hebben het altijd moeilijk, vinden geen vaste baan of willen die ook niet, hun grootste kwaliteit is durf of de drang om veel te verdienen zonder dat ze eigen kapitaal, dat ze meestal niet hebben, moeten inzetten. Maar dat wil niet zeggen dat ze niet met manieren moeten behandeld worden, colporteurs doen iets wat de mensen op kantoor niet kunnen, en dat is verkopen. Ik was de boekhouder van het bedrijf en stond dicht bij de directrice. Die nam het op voor de verkopers, arme duivels dikwijls die moesten verkopen om niet in armoede te vervallen. De verkoopsdirecteur wist dat en geheel naar willekeur stuurde hij weg wie hem niet aanstond, zo maar, voor de lol. De directrice nam het op voor de verkopers en kreeg gedaan dat de verkoopsdirecteur mocht vertrekken. Dan kwam de volgende verkoopsleider, nu een Amerikaan, die de compagnie verkopers mocht overnemen. Voor de directrice was de Amerikaan een verademing, in het begin. Hij gedroeg zich correct tegenover de verkopers, maar het duurde niet lang voordat hij de directrice met alle mogelijke karweitjes opzadelde, zoals laat mijn auto naar de carwash brengen, kun je deze fax naar mijn vrouw sturen, bel es even naar Amerika, ik heb dat in de winkel zien liggen, om elf uur binnen komen en doorwerken tot negen uur 's avonds en zo verder. Ik zag dat mijn bazin er genoeg van kreeg en ze liet haar ongenoegen blijken. De Amerikaan nam mij op een avond mee voor een etentje en liet verstaan dat ik in de plaats kon komen van mijn bazin als die zich zo bleef gedragen. Ik heb dat aanhoord en de volgende dag ben ik op zoek gegaan naar een andere baan, ik wilde niet dat mijn bazin, die ik respecteerde, de laan zou worden uitgestuurd. Als ik vertrok kon dat zo maar niet want dan werd het bedrijf voor weken, zelfs maanden, stuurloos en dat kon niet, in een bedrijf dat week na week verslagen opmaakt over de verkoopsresultaten en week na week de verkopers uitbetaalt."
"Wat een verhaal," zei Victor, "rauwe kost waar inderdaad een verhaal in zit. Ik begrijp hier uit dat jij gevoel hebt voor de medemens, een mooi thema in de literatuur."
"Anders zat ik hier niet," zei Sander. "En dan heb je nog niets gehoord over mijn liefdeleven. Een ogenblik heb jij gedacht dat ik zin had in Emily," zei Sander.
"Het droop er af," zei Victor.
"Zeg jij. Ze zag er best appetetijtelijk uit, dat geef ik toe. Maar ik heb ogen in mijn kop, als ze voor iemand viel was het voor jou."
"Is dat een compliment?"
"Dat helpt je niets vooruit," zei Sander, "ze is vertrokken.
Misschien beter zo. Liefde kan wondermooi zijn, maar ook een ziekte. Van mij had je niet te vrezen, ik ben getrouwd met Frieda. Vriend en vrouw. Maar mijn grote liefde heb ik gekend voor ik Frieda tegenkwam, dat maakt haar in feite tot de tweede keuze. Mijn eerste keuze deed ik op bij een dorpskermis, een van die ouderwetse kermissen met accordeonduo's in de cafés, waar gesmoord werd als uit zeven schoorstenen, gezopen als een rioolgat en de obligate zanger van het accordeon duo die het niet laten kon dubbelzinnige liedjes te declameren, zingen kon hij niet. In die sfeer heb ik met een schoonheid een slow gedanst. Ik had haar strak tegen mij aangedrukt en haar gevraagd, in haar ogen kijkend zoals de geplogenheid het voorschreef, of ze mee buiten kwam in de gezonde lucht en het zilveren maanlicht, het eeuwige foefje. Zij had ja geknikt en mij zelfs met een hand mee door de openstaande deur naar buiten getrokken, naar de donkere veldweg met de graskant, de glimwormen, de hooigeur en de maneschijn, daar waar zoveel geliefden tegen elkaar geplakt hadden staan kussen tot ze buiten adem waren. Ik moest niet zoeken naar haar mond die stond wijd open met haar gerede tong ver eruit zoals vagina's dat soms plegen te doen, maar daar ben ik niet achter gekomen want ze hield zich op haar stuk. Ik mocht haar tegen mij aandrukken met al mijn macht, mijn handen op haar billen maar boven op haar rok niet er onder, haar kussen zou ik nooit meer vergeten, zomin als haar naam Julie."
"Een naam voor filmsterren," zei Victor.
"Dacht ik ook, onbereikbaar dus," zei Sander. "Natuurlijk sprak ik af voor volgende zondag, in danscafé De Tapdans. Ik stond er met een maat aan de toog op haar te wachten, naar de band te luisteren en een glas pils te drinken, mijn eerste die avond, dat zweer ik, toen Julie binnen kwam gestoven, recht op mij toe, razend, dat was van haar vertrokken mooi gezicht af te lezen. Ze vroeg snauwend, wat vloekte met haar lieftallige snoet, hoeveel ik er al op had, gaf me geen tijd om te antwoorden en zei dat ze niet met een dronkaard wilde lopen, laat staan slapen. Ze keerde zich om, draaide met haar kont en liep weg. Het was warm die avond en ik had mij veel voorgesteld van een vrijage in de open natuur en een vaste verkering. Na de derde of vierde afspraak zou Julie haar onderbroekje wel laten zakken hebben, daar kwam dus niets van. Ik heb haar nog een paar keer gezien van redelijk ver met een mansmens aan haar arm, in mijn ogen een sul, een droogstoppel, dat kon niet anders, iemand die zich ongetwijfeld had neergelegd bij zo iets onmogelijks als een wet op de drooglegging."
"Van haar niets meer gezien of gehoord," vroeg Victor, "ze kan toch niet in rook zijn opgegaan."
"Ooit heb ik een gerucht opgevangen dat Julie getrouwd is met een handelaar in oud ijzer en woont in een groot huis bij een groot stuk grond dat bijna tot in de hemel volgestapeld ligt met afgedankte ijskasten, gasfornuizen, radiatoren van de centrale verwarming, metalen meubelen, koper, tin, zink, alle metalen behalve goud, zilver, kwikzilver en tin. Mensen in de schroothandel verdienen geld zat, daar ben ik niet aan toe. Voor een kleinburgerlijke ambtenaar als ik is wat Frieda en ik samen verdienen meer dan voldoende."
"Hoe ben je bij haar terecht gekomen?"
"Terecht gekomen is een goed gekozen woord. Ze is een degelijke vrouw. Ik heb haar leren kennen op een bal voor een goed doel, ingericht door haar mutualiteit om wat geld in te zamelen voor een kind dat aan een zeldzame, niet door de ziekenkas erkende ziekte leed. Zij stond achter de tapkast, we kwamen in gesprek, hadden de leeftijd waarop jonge mensen de ernst van het leven beginnen in te zien. Frieda was geestig en gevat en ik vroeg haar in de dans. Ze kon maar even, want ze had het druk. Ik bleef tot het bal gedaan was en fietste met haar mee naar huis. Aan de gevel van haar huis stonden we nog een half uur te liefkozen en we maakten een afspraak voor de volgende zondag. Zo eenvoudig is het gegaan. Nog geen jaar daarna trouwden we. Eigenlijk kende ik Frieda nog niet door en door, dat gebeurt toch nooit, zo blijven er geheimen te ontdekken. Een zaak stond zeker vast, dat hadden we niet moeten overleggen, allebei wilden we vooruit komen in het leven, wat wilde zeggen meer geld vergaren dan we ooit konden opleven. Een spaarcent voor later, maar wanneer later ligt nog niet vast. Aan zware romantiek doen we niet meer mee, daar hebben we alle twee genoeg ervaring mee om ons niet te laten vangen. Liefde op het eerste gezicht, de brandende, alles verschroeiende liefde, dat hadden we doorstaan, liefde moet groeien, wortels krijgen, een boom worden. Kleine, intieme feiten blijven soms hangen. Zoals die keer aan de graskant. Ze moest pissen, ging hurken en vroeg mijn zakdoek om zich af te drogen, zo wordt liefde een onvergetelijk, innige belevenis. Volstaat dat om nog een verhaal te schrijven, Vik?"

Sander zijn telefoon ging. Hij haakte af, luisterde en zei dat de dame even geduld zou moeten hebben, het onderhoud met zijn klerk nog afronden.

"Een dame heeft mij iets te vragen," zei Sander.
"Dames mag je niets weigeren," zei Victor.
"Hangt er van af wat ze vragen," zei Sander.
"Ik vertrek dan maar, over liefde kan ik meepraten, dat is voor later een keer," zei Victor. "Het amusement."
"Wacht," zei Sander, "ik zie dat jullie in café Statie een soort kliek vormen in de hoek bij het raam. Is er een bezwaar dat ik af en toe bij jullie kom zitten."
"Iedereen is vrij te gaan en te staan waar hij wil," zei Victor, "wij vormen geen gesloten gemeenschap. Wat wij wel doen is niet altijd praten over sport, politiek en het weer, we hebben andere, grotere onderwerpen, de liefde is er nog geen van. Ze noemen ons soms De grote geesten, dat is alles."
"Bedankt," zei Sander, "ik ga een paar onderwerpen opschrijven en dan kom ik eens langs."
"Doe dat," zei Victor en ging weg.

Een klop op de deur en een aantrekkelijke vrouw op betere leeftijd kwam in zijn kamer gestapt. Hij bekeek haar en dacht aan het gezegde: "Als je van de duivel spreekt ..." Hij zei: "Ik weet wie je bent, Julie."
"Goed geheugen, Sandy, zo, je bent me niet vergeten. Sander vond ik te somber," zei ze, "wij zijn een keer met elkaar in het donker buiten geweest en ik heb in je armen gelegen."
"Gestaan," zei hij, "liggen is er niet van gekomen. Je was mijn scharrel voor een avond, een verkering is het nooit geworden, die kans heb je mij niet gegeven. Ik zat net aan jou te denken. Je liet mij bij onze eerste afspraak in volle café staan zonder dat ik mij kon verweren. Ik was een dronkaard, riep je van ver. Dat was jij toch die mij zo vreselijk behandelde, mishandelde?"
"Natuurlijk, wie kan zo een moment vergeten, ik ben nog niet seniel," zei ze, "wat ik deed was in een opwelling van koleire, mijn vader was een dronkaard ik wist wat het betekende zo iemand in huis te hebben. Vader is dood, van de kanker, niet van het drinken."
"Deelneming," zei Sander, "ga zitten. Schrik niet, ik ben geen dronkaard geworden, niet eens een sociale drinker."
"Ik wel," zei ze, "ik durf aan de fles te zitten en mijn man schrikt ook niet terug voor een halve fles whisky. Maar niet
alle dagen, alleen na een slechte dag. Mijn man en ik samen hebben een groot schrootbedrijf, de firma Van Doorselaer, mijn naam Rosemondt is niet zo geschikt voor een handel in oud ijzer."
"Meer geschikt voor een bloemenmeisje," zei Sander, "maar dat heb je al meer gehoord. Wat een opdoffer was dat voor mij die avond, wat een geschiedenis, ik ben er een week kapot van geweest. Ik had het voor jou schatje en niet een klein beetje, maar dat is nu over, of toch bijna. Waarom wou jij me zien, toch niet om vast te stellen dat ik een dronkaard geworden ben of om goed te maken wat jij mij toen hebt aangedaan."
"Wat een preek. Ik heb je niets aangedaan. Wat moet een ongerept meisje denken van een man die op hun eerste afspraak met een glas bier in zijn hand aan de toog staat te zuipen. Neen, ik ben toevallig te weten gekomen dat jij hier zit en er direct bij gedacht dat je mij zou kunnen helpen. En doe dat lachje van je gezicht, want je denkt aan andere dingen. Ach de mannen."
"Dat weet jij niet. Zeg maar waar je voor gekomen bent."

"Twee," zei ze, "we hebben twee chauffeurs en als er te veel werk is huren wij een vrachtvoerder in. We rijden tot in Zweden, Duitsland, Italië."
"Dan zijn jullie niet klein."
"Neen, wij zijn geen voddeventen die de hele tijd met een luidspreker door de straten rijden om hier en daar wat dakgoten of verroeste buizen op te halen."
"Daar besluit ik uit dat jullie een hoop geld verdienen. Dan kom je niet aankloppen bij het OCMW."
"Het is eigenlijk een voorwendsel," zei ze, "de firma zit in de problemen door de schuld van onze boekhouder. Hij heeft ons laten zitten nu de belastingman onze aangifte is komen uitpluizen. Hij heeft een groot verschil vastgesteld, dat wij niet kunnen uitleggen. De controleur is Picavet, die zegt je te kennen."
"Ach Picavet. Daar heb ik een avontuur mee beleefd. Mijn baas had mij een valse aangifte doen invullen."
"En Picavet heeft ontdekt dat er iets mis was met je aangifte?"
"De aangifte van de baas. Maar hij is een enorme boete weten af te wentelen."
"Dat is interessant, hoe heeft hij dat klaar gekregen."
"Door een lam te offeren," zei Sander.
"Je houdt mij voor de gek."
"Niet waar, hij heeft zijn minnares opgeofferd. Je staat voor een dubbele aanslag en daarbij een grote boete. Wil je echt alles doen om jullie firma te redden?"
"Veel toch," zei Julie, "maar zou kunnen tussen komen om op een minnelijke schikking aan te sturen? Of kunnen we hem paaien met een geschenk?"
"Zoals een villa aan de azuren kust. Dat is omkoperij, nog een zware straf erbij. Maar hij heeft een zwakke plek.""
"O ja," zei Julie. 
"Laat mij jou eens goed bekijken. Je ziet er echt nog prima uit. Vraag hem op een duur etentje en doe hem wat te veel drinken. Picavet is niet ongevoelig voor vrouwelijk schoon. en probeer hem in bed te krijgen. Laat je man hem betrappen en een foto maken. En als je hem bij zijn kloten hebt, sorry de uitdrukking, kun je hem vragen hoeveel het moet kosten om een en ander door de vingers te zien of dat je anders zijn vrouw de foto laat zien."
"Ben je serieus?"
"Ik heb het zien gebeuren."
"Kun jij echt niets anders voorstellen?"
"Betaal de boete."
"Daarom ben ik naar jou gekomen om dat te vermijden."
"Daar kan ik niets aan doen, schatje."
"Laat dat schatje maar. Doe je iets, wil je er een nacht over slapen?"
"Neen, ik hoef er niet over na te denken, ik kan niets doen. Een boekhouder is geen tovenaar."
"Jij bent een mooie, wat een geluk dat ik je toen heb laten staan, dan zat ik nu met een platbroek. Je moet mij niet uitlaten, ik weet de weg, dag Sandy."

Ze liep buiten zonder om te kijken of met haar kont te draaien en liet Sander, die een beetje verwonderd zat te kijken, over aan zijn lot.

"Weer van hetzelfde," dacht Sander, "Sandy, ze had al een troetelnaam voor mij bedacht. Ik heb geen koosnaam nodig, ik ben geen schoothond, ik ben Sander, kort voor Alexander. Frieda noemt mij soms zo, dat is beter. Het ergste wat mij had kunnen overkomen was met mijn grote liefde getrouwd te zijn, ze is een bikkelharde, niets ontziende zakenvrouw, voor wie een vreemd bed geen probleem mag zijn om er te komen. Wat een teef. Ik ben veel beter af met Frieda, we betalen samen ons huis af, het heeft ons veel gekost maar het is naar onze zin."

Hij dacht er even aan om Picavet te waarschuwen, maar die moest zichzelf maar zien te redden, daar was hij goed in.

"Mijn moeder wordt een dag ouder en is op de sukkel, ze kan zichzelf niet meer behelpen en ik heb de tijd niet om de hele dag bij haar te blijven, ik heb veel werk in de zaak, schroot laadt zichzelf niet op een vrachtauto en vindt niet zelf de weg naar de ovens. Ik ben op zoek naar een rusthuis om haar te plaatsen en heb gehoord dat Zilverschoon een goede naam heeft."
"Wees daar heel zeker van. Maar Zilverschoon is een rusthuis van het OCMW bestemd om mensen op te nemen die het niet breed hebben. Mensen die er goed in zitten kunnen zich een privé-instelling veroorloven en je zegt me dat jij mee in een zaak zit. Een vraag, hoeveel vrachtwagens van het bedrijf rijden er rond?"


34 LUSTIGE MELANIE VLOEBERGHS

LUSTIGE MELANIE VLOEBERGHS

Dagen van hevige stormwind en regenvlagen hadden een zeehond de rivier opgedreven tot aan de brug over de Deel te Hellebeek. Het duurde niet lang voordat de kijklustige dorpelingen die regen en wind trotseerden van de brug af de zeehond hadden omgedoopt tot deelhond. Melanie Vloeberghs, die op de dijk in het laag huis met groengeverfde deuren en ramen woonde, trok iets aan en kwam ook zien. Het dier keek haar met zijn weemoedige amandelogen aan en diep geraakt liep ze in huis om een pekelharing uit de verse bokaal. Met de vis bij zijn staart daalde ze de dijk af om dichter bij het dier te komen. Verborgen onder het lange gras lagen grote brokken arduin, door een grijpkraan daar met losse hand uitgestrooid om de dijk te verstevigen. Melanie had er geen erg in, een steen kantelde, ze slipte en gleed over het lange, natte gras wanhopig spartelend de rivier in, haar ochtendjas opgeschort tot boven haar heupen en ze droeg geen onderbroek. Volgens het dogma van de volkswijsheid kwam ze drie keer boven om naar lucht te happen en verdween dan voorgoed in de golven en draaikolken van de rivier. De deelhond bleef onverschillig rondzwemmen, deed geen poging haar te helpen en er stonden toevallig geen dappere curieuze neuzen op de brug om haar achterna te springen of een hand te reiken. Eenzaam en alleen verliet ze ons, 72 jaar, veel te jong om zo te sterven. Althans, zo stelden wij ons voor dat zij aan haar einde gekomen was, niemand had het gezien.

In café De Ark verkondigde Germain de stoffeerder dat Melanie verdronk doordat ze vanonder niet dicht meer was, volgelopen, te zwaar geworden en naar de dieperik gezogen. Germain spotte graag met iemand anders’ tegenslag en onbehouwen zoals we waren, lachten we om die oneerbiedige, ja schunnige opmerking, maar niet iedereen van harte. Het ging ons niet af te lachen met een eeuwig jonge weduwe, die de mannelijke medemens met hartstocht uit de nood had geholpen, van dieren hield en op een absurde manier aan haar einde was gekomen. Het was voor niemand een geheim dat Melanie de dwangmatigen onder ons die aan haar deurtje klopte nooit haar bedstee weigerde als we niet te zat waren, maar waarom zou een dame die zich overvloedig en liefdadig gegeven heeft, vanonder minder dicht zijn dan pakweg een kwezel of een kween? Het lijk van Melanie werd drie dagen later opgevist aan de sluizen te Mechelen. Voor zover wij er achter konden komen meldde de schouwer geen afwijkingen, anatomisch was er niets aan de hand. We wisten allemaal dat ze nooit een broek aantrok, die had haar niet kunnen redden, langs daar was ze niet volgelopen. Ze hield de pekelharing nog in haar hand geklemd.

Melanie kreeg een christelijke rouwdienst en ligt begraven tussen de gewone mensen. Geen oudstrijdersgedoe, ereperk of eeuwige vergunning. Later kwam op de eenvoudige zerk haar naam in bronzen letters: Melanie Vloeberghs, weduwe van Gaston Holemans, geboortedatum en sterfdatum. Ze was nergens lid van. Ze had de mensheid nog veel diensten kunnen bewijzen maar was op een zinloze manier voortijdig gestorven, na een merkwaardig leven, waar weinigen het fijne van weten.

Toen Melanie Vloeberghs nog een plattelandstrien was van achttien jaar, was ze ervan overtuigd dat geluk kon worden gemeten aan het bezit van een villa en een tuin met rozen en anemonen, vijver en zwembad, een luxegarderobe en galadiners in avondkledij in paleizen en chique restaurants. Een tweede onderliggende laag van geluk was, zich het hof te laten maken door rokkenjagers met stijl, uit de hogere kringen. De vraag ‘waarom leven wij’ had zij zich nooit gesteld, zomin als jij en ik. Wie het antwoord weet, kan beter een touw kopen en een stevige boomtak zoeken.

Was ze getrouwd geweest met Jozef, de jongeman die bij haar vader in de werkplaats het vak van timmerman leerde en die later het bedrijf overnam, dan zou ze drie kinderen hebben gekregen, elke dag hebben geluisterd naar het liefelijke geklop van een hamer op hout, het heen-en-weer van een jozefzaag of de zang van een schaafmachine. Van bij het ontbijt zou de geur van noordse den haar aantrekkelijke neus hebben gestreeld, ze zou, met de kinderen aan haar hand, in de rulle houtkrullen hebben gestoeid, af en toe de lijmpot hebben aangereikt. Ze zou niet in de wereld van zakenlui, diplomaten en schuinsmarcheerders hebben vertoefd en hoogstwaarschijnlijk slechts met één man seksuele betrekkingen hebben onderhouden. Haar leven zou eentoniger geweest zijn, voor zover kinderen grootbrengen en een man trouw blijven iets met eentonigheid te maken hebben.

Een ambachtsman schept dingen met zijn handen, dingen die hij een stuk van zichzelf meegeeft, dingen die blijven, dat geeft zin aan zijn bestaan, daar leeft hij voor, maar Melanie voelde zich niet geroepen om blijvende dingen te maken, te kunnen zeggen: kijk, die dubbele voordeur heb ik mee helpen schuren tot ze zo zacht was als een handschoen van kalfsleer; of anderzijds daden te stellen die haar van de vergetelheid konden redden, zoals gedichten schrijven of zich naakt laten fotograferen terwijl ze stond te pissen. Vader Vloeberghs had zijn dochter naar de naai- en huishoudschool willen sturen, om nuttige vaardigheden te verwerven en een hard werkende man bij te staan, maar ze pruilde zo lang tot ze naar de lagere handelsschool mocht om rudimentair kantoorwerk te studeren. Vergeefs probeerde vader Vloeberghs alsnog zijn opvolger Jozef bij zijn dochter aan de man te brengen, maar zoiets lukt niet meer sinds de Verlichting. Het spijtige was dat zijn twee oudere dochters ook de timmerwerkstee hadden verzaakt, ze gruwelden van een man die van ‘s ochtends tot ‘s avonds onder het zaagmeel zat. Veerle was getrouwd met een ambtenaar van redelijk niveau, Viviane met een veekoopman en vetmester. Ze kwamen goed vooruit, beter dan Jozef de aankomende timmerman en voorlopig hun zuster Melanie.

Melanie had een baan van niks gevonden in een groot constructiebedrijf dat opdrachten uitvoerde in de hele wereld en een Engelse naam in zijn vlag voerde, Industrial Building International S.A., afgekort IBISA, het klonk Egyptisch maar het was zo Belgisch als ons vorstenhuis. Wat ze precies deden mocht Melanie worst wezen, ze had werk en nam de tijd om haar strikken uit te zetten voor een man met dezelfde onheilige betrachtingen als zij. Ze deed veel kleine taken voor de jonge medewerker Gaston Holemans, zijn steekkaarten op orde houden, zijn brieven tikken en in enveloppen steken. Een stuk van haar tijd was ze meisje vrijdag, koffie zetten en zich met de koffiekar wagen in de holen van diensthoofden en directeuren die er niet voor terugdeinsden bedekte en niet bedekte toespelingen te maken op haar lichamelijke charmes, pogingen te ondernemen om haar in hun armen te nemen, langs achter te omstrengelen, hun hand te leggen op intieme plaatsen en zelfs hun voorbroek open te laten staan. 

Gaston Holemans zag het aan met haviksogen en nam haar onder zijn vleugels. Hij kon het niet velen dat een onschuldig en mooi ding zich in het verderf zou laten flemen, want daar liepen die toestanden altijd op uit. De vrijdagmiddagen waren het gevaarlijkst. Als ze op het punt stond te bezwijken voor het opdringerig pramen van de bende om iets mee te gaan drinken, om het weekeinde in te stuiven, schrok hij er niet voor terug om haar, op het onbeschofte af, in zijn Russische Fiat te duwen. Dat had hij goed begrepen, naïeve Melanie kende geen gevaar, zelfs niet als het voor haar oprees in de gedaante van geile diensthoofden, die hun vrouw bedrogen uit sportieve drang. Gaston bracht haar heel thuis en sloeg nooit af mee binnen te komen voor een glas limonade of tafelbier. Wisten de ouders van Melanie veel wat pezewever ze in huis haalden, voor hen was hij iemand met verstand tussen zijn oren, niet tussen zijn benen, iemand die er zich bewust van was, wat jonge meisjes overkwam als ze zich durfden toevertrouwen aan gewetenloze meerderen, die, om toch maar te kunnen scoren, hen valselijk promotie en opslag beloofden. Met grote inzet waakte hij over de ongereptheid van Melanie, het maagdenvlies van Melanie had voor hem de waarde van tenminste het Gulden Vlies.

In de auto sprak de ernstige Gaston over zijn simpel levensdoel: een plaats aan de top. Met een goede vrouw die hem in de rug dekte, was dat geen utopie, geen gedweep. Als kind had hij grijze armoede gekend, door de schuld van zijn vader, die uit leegloperij weigerde naar hem om te zien. Hij leefde voor wielersport, voetbal en kaartspel. Met andere putjesscheppers droeg hij de dag uit, zuipen en smoren tot de dood erop volgde, een echte man. Dagloner was de hoogste graad die hij had bereikt en daar ging hij nog trots op ook. Zijn weinige centen ging hij niet verkwisten om zijn zoon aan een diploma te helpen, daar zou veel volk komen naar zien. Zijn moeder draaide op voor het gezinnetje: in de week schoonmaakster, op zon- en feestdagen bordenwasser in cafés en feestzalen en ‘s avonds soms een bijverdienste. Zij was jong gestorven van verdriet; geen geld en geen universiteit voor Gaston. De jongen had een sobere, trieste jeugd gekend, zonder uitgaan, zonder plezier met de meisjes, er was geen budget voor. De dood van zijn moeder maakte hem somber, zijn vader betaalde hij terug met nog groter onverschilligheid als aan de dag gelegd door Belgische parlementariërs. Hij was hem uit het oog verloren en als hij niet dood was, dan leefde hij nog.

Was het aanhankelijkheid, eerbied voor zijn beheerste kuisheid, nieuwsgierigheid, voorgevoel dat ze het met Gaston ver ging brengen, die Melanie ja deden zeggen toen hij om haar hand vroeg, wie zal het zeggen als zij het zelf niet zegt. Het was volstrekt niet de grote liefde, het sentiment waarvoor romantische zielen zich van een hoge toren gooien. Nood aan geborgenheid kon het niet zijn, thuis bij haar ouders was ze goed en Jozef had haar een donjon van geborgenheid kunnen timmeren. Neen, het was omdat ze gegeerd wilde zijn en ze was volstrekt geen domme gans. Als Holemans het niet voor mekaar bracht dat ze tussen seigneurs paradeerde, kon ze hem later nog inruilen voor een beter exemplaar. Ze traden in het huwelijk en huurden een appartement in Mechelen, daar woonden ze dicht bij een van de beste spoorverbindingen van het land.

Melanie, die het orgasme alleen kende van het gebazel van vriendinnen en van het onnozel gehijg van softpornofilms die in haar jonge tijd niets voorstelden, nog geen blote kont te zien, stelde zich de eerste huwelijksnacht voor als een hemelbeklimming. Ze had geen flauw vermoeden van wat ze zich op de hals haalde. In de bruidsnacht hing Gaston zijn trouwkostuum netjes op aan de kleerhanger in de kleerkast en had niet eens belangstelling voor zijn naakte godin, die zijn manchetknopen losknoopte en zijn hand tegen haar van gezondheid glinsterende toef probeerde te drukken. Hij deed het licht uit en hield zijn onderbroek aan. Met kloppend hart en een beetje bang voor de pijn van het doorsteken, lag ze te wachten tot hij in beweging kwam. Maar hij roerde niet of beroerde niets. Zij ging op hem liggen, trok zijn onderbroek af en slobberde en rukte tot ze leven voelde tegen haar buik. Anderhalf uur later hing haar maagdenvlies aan een kapstokje. Hij gaf enkele tekens van genotsbeleving, beloning voor zijn weerzinwekkende plichtsvervulling.

Nadien kon zij Gaston niet echt meer in het gareel krijgen. Zichzelf bevredigen terwijl ze zijn slurfje mocht vasthouden, een schamel rantsoen voor een Melanie met een ontketende seksbegeerte. Onze ambitieuze Gaston stak zijn energie liever in studeren, hij had nog veel in te halen. Marketing, verkooptechnieken, buitenlandse handel, metaalbouw, beursnoteringen, verzekering, dorre vakken maar toekomstgericht, wat anders dan rollebollen. Een huwelijk dat er was alleen voor seks, was geen goed huwelijk. Een huwelijk was er voor de wederzijdse bijdrage tot de verwerving van bezit en aanzien, seks moest worden uitgespeeld als troefkaart, dat was de theorie van Gaston, door beiden niet lang daarna in de praktijk omgezet.

Ze hadden het aanvankelijk niet breed met hun lonen van eerste klerk en van typiste-koffiemeisje. Maar Holemans had doorzicht. Met de moed der wanhoop en op krediet kochten zij op het platteland in Hellebeek, het geboortedorp van Melanie, helemaal aan de andere kant van het dorp, over de Deel, een hectare waardeloze zandgrond, met daarop een huisje van halfsteense buitenmuren (iets beter dan betonnen platen), binnenmuren van gipsplaat, ramen en deuren van waaibomenhout. Maar een hectare grond, in de Voorkempen, aan een aardeweg, midden berken, dennen, heide, eksters, eekhoorntjes en konijnen, was een sluimerende belegging waar zelfs superanalisten van zouden kuchen. In korte jaren, Holemans had midden de roos geschoten, werd het gebied aangestreept als bouwzone in het gewestelijk plan van ruimtelijke ordening. Bouwpromotoren zonder respect voor heide, brem, berk of inlandse eik, legden asfaltwegen, riolen en waterleidingen aan, plantten elektriciteitspalen, ontsloten en vermoordden de ongerepte natuur.

Reniers, in die dagen topman bij IBISA, was op zoek naar villagrond voor zijn zoon die ging trouwen en bouwen. Melanie had het gehoord op haar koffieronde. Ze sprak erover met haar Gaston die onmiddellijk zijn klasse toonde. Ze kreeg opdracht Reniers op de koffie te vragen, op een zondag na de middag, om de bouwpercelen in de omgeving te gaan verkennen. Reniers kwam alleen in zijn grote Amerikaan. Zijn vrouw had belet gegeven, ze had wat anders te doen dan aan een koffietafel aan te zitten in de kruipin van armoezaaiers. Dat zei Reniers niet, wat hij wel deed was zijn oog laten vallen op Melanie. Ze dronken gin met tonic en in goede stemming liep Melanie met de baas de natuur in, op zoektocht naar een terrein om een stulp op te trekken. Holemans bleef thuis om koffie te malen, het water te koken en de taart te snijden.

Melanie liep voor Reniers, eerst op een zandpad, dan in de dennenwildernis tot ze op een open plek kwam met pijpenstrootjes, wij zeggen kwajongens, lang stroachtig gras eigenlijk en goed genoeg voor een liggend koppel. Meneer Reniers vond het maar een klein perceel, grappig. Melanie ging zitten met opgetrokken knieën en Reniers ging met geamuseerd lachje tegenover haar staan, de grond was warm, droog en uitnodigend. Ze had geen kousen aan en droeg haar kleinste cache-sexe. Reniers keek niet naar de wolken, hij was niet achterlijk, hij keek waar hij moest kijken. Hij stak een hand uit en deed haar rok afglijden zodat haar dijen helemaal bloot kwamen. Melanie keek hem aan.
“Hé meneer,” zei ze.
“Kom kindje,” zei hij, “je hebt mij naar hier gelokt om naar een perceel te kijken en je laat me villa Bellevue bewonderen. Staat die te koop?”
“Bruikleen,” zei ze, “tegen de voorwaarde dat je Holemans niet vergeet, een jongen die alles zou geven om iemand te worden.”
“Me dunkt,” zei Reniers.

Ze mocht zich helemaal uitkleden als ze zich daar goed bij voelde. Haar naakte schoonheid heide Reniers tot zijn enkels de pijpenstrootjes in. Hij stapte uit zijn schoenen, trok broek en onderbroek uit en legde die keurig op een stapeltje. Zijn hemd en das hield hij aan. Met zijn fijne menerenvingeren scheidde hij haar schaamlippen en kwam in haar. Hij naaide haar met grote, trage steken, een aanloop die ze graag had, maar van Gaston niet kreeg. Ze dreef de cadans op, Reniers sloot zijn ogen en genoot met al zijn weke organen van de deining van haar heupen, kwam half overeind, beet op zijn onderlip en loosde, het liep eruit als uit een buis. Met zijn zakdoek veegde hij de druppels transpiratie van zijn voorhoofd, in koolzuurnood hield hij beide handen als een masker voor zijn gezicht. Melanie gebruikte haar slipje om zijn eikel en vervolgens haar pubis schoon te wrijven. Hij stak het lapje in zijn broekzak en met vanonder niets aan liep Melanie met Reniers terug naar huis. Ze gaf Reniers eerst nog een kus. “Het was goed,” zei ze, “merci en vergeet alstublieft Holemans niet.”

Reniers was niet vergeetachtig en hij kwam nog menig maal villagrond bezichtigen. In de winter reed Holemans naar Mechelen om taart terwijl zij in bed met de topman hoge toppen scheerde. Iedereen was voldaan, zij met haar orgasmen, Reniers die het werk van Gaston opknapte, en Holemans die doorbrak op aangeven van Melanie. Reniers en Melanie deelden tijdens hun bevrijdingstherapie hun bedgeheimen. Zijn vrouw, een dame van de wereld waar hij in de beste kringen mee kon pronken, was in bed geen fluit waard, ze geloofde de truttenflauwekul dat seks lelijk maakt. Reniers, niet geneigd zich bij die sullige onthouding neer te leggen, waardeerde Melanie voor haar totale, onvoorwaardelijke overgave, vrijen was nondedju geen heilige daad, het was een grote vreugde die de natuur ons meegegeven had. Holemans zag dat anders, eer van de zakelijke kant. Hij had in zijn jeugd alleen zijn moeder gekend, was in wezen vies van vrouwen en hij was met Melanie getrouwd om de hefboom van de eerste orde die hij in zijn drang naar gewin ontworpen had, in werking te stellen, met Melanie als felbegeerd steunpunt, zijn ambitie als last en mannen met verkeerde neigingen zoals Reniers, de macht.

Reniers maakte van Holemans chef de bureau in de afdeling verkoop, om Melanie te belonen en tegelijk omdat hij iets zag in Holemans. Na een lichte hartaanval kreeg Reniers beperkingen opgelegd, seksueel en in zijn beroepsleven. Kort daarna nam hij vervroegd pensioen, maar het echtpaar Holemans was toen al gelanceerd in een baan rond de vleespotten.

Het huisje dat ze in de zandstreek gekocht hadden, raakte omsingeld door grote villa’s in rijkelijk aangelegde tuinen en hun hut leek een hondendrol op een pas gemaaid grasperk. De bouwgrond was, als gevolg van de bouwwoede, onbetaalbaar geworden. Holemans verkocht drie vierde van zijn stuk en had nog overvloedig plaats voor een eigen onderkomen. Na zijn promotie ging het beter met de inkomsten van het echtpaar. Met het geld van de grond als stevig beginkapitaal en hun stuk als onderpand, lieten ze villa Parelamaniet bouwen, midden een grasperk omringd door enkele gespaard gebleven dennen en een haag van meidoorn, rododendron en azalea, geplant op aangevoerde bladgrond. Een zwembad achter het huis voltooide de droom, een vijver kwam er niet, die droogde uit in de zomer en liet dan van in de herfst tot na de winter een stinkende poel achter. De Holemansen hadden aparte slaapkamers laten inrichten, aan een gedeeld bed hadden ze klote voordeel. Het paar was uitgerust om de gasten een stijlvol huis te bieden en Melanie beschikte nu over een eigen werkkamer voor de opvolgers en plaatsvervangers van Reniers. Hooggeplaatste mannetjes uit hoofde van hun bankrekening wisten van het onthaal op Parelamaniet mee te spreken, Melanie verwende ze met een drankje, een hapje en haar verrassingsgeschenk in bed, alleen bestemd voor de gasten die Gaston selecteerde, de lui die hem hogerop konden helpen en dat waren er, jammer voor Melanie, minder dan waarop ze had gerekend.

Op het kantoor bij ICISA kreeg Melanie niet de bevorderingen waar ze evenveel recht op had als Gaston, dat had Reniers niet durven doen, en ze bleef bij het kleinere werk: brieven en koffie ronddragen, adressen schrijven, enveloppen postklaar maken, tikwerk - waar ze goed in was, ze maakte weinig fouten - en de zeikers, die dachten dat ze goedkoop was, hun geile poten met haar scherpe nagels versieren.

Uit de mond van twee giechelende bakvissen in de gang bij het fotokopieerapparaat, leerde Holemans de toenaam van Melanie kennen: Melle Snol. Ze hadden hem niet gezien en hij trok zich ijlings op zijn sluipzolen terug. Melle Snol, dat kon niet zijn, het was slecht voor zijn reputatie dat ondergeschikten van IBISA zich openlijk lustig maakten over zijn wettige vrouw en hij trof maatregelen. Hij regelde haar ontslag en liet het gerucht verspreiden dat ze uit eigen beweging was weggegaan om meer tijd te hebben voor hun groot huis en haar hobby’s: tuinieren, lezen en paardrijden. Paardrijden was een toegift van Holemans omdat het in de manège krioelde van paardrijders uit hogere kringen die Melanie ijverig in en uit het zadel hielpen, Gaston klom toch nooit in haar zadel en het moest niet altijd zijn om promoties los te neukeren. Het was haar recreatieve sport. De professionele sport die ze beoefende, was te vergelijken met bergbeklimmen, zij was de sherpa, het enige wat telde was boven geraken, met Gaston in haar nek.

Op een dag kocht de niet onbesproken Georges Lebon, internationale promotor niet te verwarren met pooier, een beslissend pak aandelen van IBISA. Hij stond voor diversificatie in het productassortiment en met zijn relaties in buitenlandse kringen opende hij nieuwe afzetgebieden. Hij had openingen voor projectleiders, bekwaam contracten op te snorren in landen die hij zelf niet kon bewerken. Alsof de duivel zelf het hem ingefluisterd had, in feite dagdagelijkse mondelinge overlevering, was het libertijns gedrag van vrouwe Holemans hem ter ore gekomen, mannen die hun vrouw uitgooiden als lokaas, daar zat wat in, die hadden geen scrupules, dat kon de gewenste vrijbuiter zijn, en hij nodigde zichzelf uit voor een werkbezoek. Melanie had een diep uitgesneden jurk omgegespt; haar klimijzers. Lebon zocht iemand voor een missie in Latijns Amerika, iemand met haar op zijn tanden dat hij niet makkelijk zou laten wegpoetsen. Melanie schonk een glas van de beste single malt whisky die ze in huis had. Ongegeneerd plaatste ze het glas op de salontafel en boog zo ver voorover dat Lebon in de verte de kroezelige scheiding tussen haar benen kon zien. Hij nam zijn tijd om Holemans uit te leggen wat hij van de missie verwachtte. Gaston beloofde dat hij meer dan zijn best zou doen, wist dat beloften alleen niet volstonden en verontschuldigde zich, hij had een afspraak niet ongedaan kunnen maken.

Melanie zei dat ze warme snacks en studentenhaver in huis had, maar dat was Lebon zijn eten niet. Hij zei: “Tepels als kersen. Ben jij overal zo fruitig geschapen?”
“Het geheel is aantrekkelijker dan de delen apart,” zei Melanie en gooide haar jurk over haar hoofd. Ze had niets onder aan. “Dit is mijn pruim, bijt er maar in,” wees ze.

Het was geen liefde die ze beleefden, mannen als Lebon hadden daar geen boodschap aan, maar de seksbeleving van de gillende en bijtende Melle was zelfs voor hem een openbaring, daar kon ze prijzen mee winnen. Gaston kreeg de opdracht in Zuid-Amerika, het ging het echtpaar Holemans steeds beter voor de wind.

Holemans keerde zes weken later terug uit Bogota met een opdracht voor 20 graansilo’s, bij verscheping in de haven te vullen met kogels en geweren. Bij de volgende missie verkocht Holemans graansilo’s aan een Afrikaans land, waar niet eens vogeltjeszaad groeide, de silo’s waren nep, containers gevuld met giftig afval van de chemiereuzen. Dat was een flinke loonsverhoging en een bevordering waard. Melanie deed haar duit in het zakje op het troetelfront. Zoals gezegd had Lebon relaties in regeringskringen, de diplomatie, de aristocratie en de zwijnen van de burgerij. De ene belangrijke bezoeker verdrong de andere op Parelamaniet. Ze ontving staatssecretarissen, diplomaten, prinsen en grootindustriëlen. Ze verwende ze met champagne, kaviaar, de beste sterke drank die er te krijgen was en liet zich verleiden als een waarachtige courtisane. Haar lichaam vroeg om seks en ze kreeg de ruiterij thuis, soms heel goeie ruiters, wat kon haar hartje nog meer verlangen?

In zijn nieuwe functie was Holemans veel op reis, Melanie ontving bezoekers, maar niet elke dag. Dan zat ze daar zich rot te vervelen tot ze op het idee kwam boeken te lezen uit de pronkbibliotheek, die Gaston had aangelegd om indruk te maken mocht een intellectuele gast Parelamaniet betreden. Als enige gezellen had ze een godemiché die werkte op pillen, een lange dikke, met goud belegd, en twee gouden kogels die ze in haar gleuf kon stoppen en die binnenin haar klotsten als ze in haar hangmat lag te schokkeren, genotcadeaus van Gaston uit Amsterdam.

Haar moeder had al vroeg ingezien dat Melanie het ver ging brengen met Gaston, de ernst droop van hem af als zure stroop. Ze kon zelf autorijden en bezocht regelmatig Parelamaniet, uit nieuwsgierigheid. De zussen verteerden het slecht dat een klerk hun ambtenaar en veehandelaar te boven was gegaan, maar ze sloegen een tweede of derde 20 jaar oude porto nooit af, hun mannen zopen grote glazen van de whisky waarvan ze de naam zelfs na het derde bezoek niet konden onthouden, omdat het Auchentoshan was, een Lowland malt zoals iedereen weet. Op hun eentje mochten de schoonbroers niet meer naar Melanie, nadat op een keer Gaston de zussen en hun mannen naar het zwembad had gestuurd, waar Melanie bloot lag te zonnen en haar tijd nam om de kogels te verwijderen en een badjas aan te trekken.

Het kwam voor dat Gaston Melanie rapporten liet typen. Voor haar was het een verzet, voor Gaston was het een maatregel om bepaalde hoge pieten tegen onbescheiden medewerkers te beschermen. Soms bracht Gaston zakenrelaties mee waar ze af moest blijven, maar om Gaston te plagen hing ze hen toch op het lijf, tot hij het welletjes vond. Zo’n geval was de Amerikaan met wie ze in de rue des bouchers gegeten hadden. Ze dronken daarna een zwaar bier op de Grote Markt, België had ook wat te bieden. De Amerikaan was onder de indruk van de Grote Markt die op een wonderlijke manier historie uitstraalde. Holemans pakte uit met vergeelde wetenswaardigheden, Lodewijk XIV die zijn maarschalk Villeroy bevel gaf de markt tot gruis te schieten, de burgerij van Brussel die haar laatste duit uitgaf om de markt te restaureren en bladgoud aan te brengen op de gevels.

De yankee kwam uit Chicago, en omdat Melanie hem niet te lijf was mogen gaan, had ze in de huisbibliotheek snel iets gezocht over Amerikaanse schrijvers en was op John Dos Passos gestoten. Ze vroeg de yank of hij de bekende auteur van U.S.A. en Manhattan Transfer, zijn stadsgenoot, kende, die had in Brussel gewoond, herinnerde zich dat hij als kind door de grijze straten van de stad liep, onder de grauwe hemel, de geuren van keuken en geboend hout had opgesnoven en nooit vergeten.

De Amerikaan bekeek haar onthutst. Dos Passos? Literatuur? Niets mee te maken, hij was business executive. Hij kende wel iemand uit de school van Chicago, de schrijver van Capitalism and Freedom, de economist Milton Friedman, die Keynes op zijn nummer had gezet.

“Zo moet je varen,” zei Holemans, “gasten uitdagen met nutteloze kennis.” Hij wist dat de yank hem niet verstond.
Melle zei: “En hij dan? Als hij over economie wil beginnen ga ik hem zeggen dat Marx en Engels daar, in Het Huis van de Zwaan, het Communistisch Manifest geschreven hebben.”
“Nog nuttelozer, hij zou nog minder weten over wie je het hebt,” zei Gaston.

Holemans verwierf de rang van commercieel directeur en werd lid van de raad van bestuur. Naast een vette wedde ontving hij een pak aandelen van IBISA en van groeifondsen in de chemische industrie en het bankwezen. In zijn topambt reisde hij bijna onderbroken en hij verzweeg Melanie zijn avonturen met beeldschone jonge mannen aller rassen niet, Gaston was een homofiel, als dat nog niet duidelijk mocht zijn. Hij kon niet weerstaan aan de zuigkracht van de bruine sluitspier van jonge adonissen en nam risico’s. Op een keer kreeg hij koorts en een kwade hoest die niet weken voor vliersiroop en antibiotica. De huisarts stuurde hem naar een specialist, die de juiste diagnose toen reeds op de kop wist te tikken: aids was zopas beschreven. Hij sleepte zich nog een jaar over de aardbodem, vloog buiten bij IBISA en stierf, uitdovend als een kaars. Voor Melanie was dat het einde van haar liefdesbetoon voor IBISA. Lebon  kon het zich niet veroorloven begerige relaties af te sturen op de dienstwillige weduwe van een man bezweken aan een besmettelijke en dodelijke geslachtsziekte en zelfs haar getrouwe piekeniers durfden niet meer hun gevelde speer tussen haar gerede dijen te planten, om nu eens bombastisch te zeggen dat ze haar niet meer wilden neuken.

Na Gaston, IBISA, Lebon en de snoepers die ze in hun kielzog meetrokken, was haar leven niet voorbij, ze was pas 58, in de fleur van haar leven. Ze had veel geld opzij liggen, haar geld, zij had het verdiend, zo goed als Gaston en ze mocht aanspraak maken op nog jaren genotbeleving. Om Gaston treurde ze als om een oud geworden huisdier, ze was meer aangeslagen door haar plotse val uit de mondaine wereld, maar er waren andere werelden. Even was het bij haar opgekomen een annonce te plaatsen in de Financieel Economische Tijd, mededelen dat Holemans haar al in 35 jaar niet meer bekend had, dat ze veilig was, zag daar van af en dook op in  vrijgezellendancings, waar de gigolo’s op dansschoenen liepen en met champagne trakteerden.

Binnen de twee weken liep ze met Philippe, een beginnend gigolo maar een lieve jongen. Ze nam hem in bed, hij voldeed min of meer aan de verwachtingen, hij paste nooit, hij was de paraatheid in persoon, maar moest nog veel leren. Het was hem om Melanie haar geld te doen, dat sprak, ze liep met haar geld te koop, maar het was niet alleen de geldzucht die hem naar haar dreef, een ritsig wijf als Melanie kruiste niet elke dag zijn spoor, een oudere vrouw was voor hem wat nectar voor een insect was, hij koesterde de ongevaarlijke en prettige afwijking van gerontofilie. Voor zijn vlijt kreeg hij een sportauto. Hun verhouding duurde langer dan drie jaar, het koppel ging eten in dure restaurants, voor geld spelen in de casino’s, zij nam hem mee naar galadiners voor liefdadige werken, waar ze haar nog toelieten omdat ze geld had. Om hem te belonen deed ze een schenking van vijf miljoen frank en de volgende dag was hij weg, met medeneming van zijn sportauto en de dure kostuums die zij voor hem had gekocht.

Philippe uit het huis en uit het hart, van treurnis kon ze niet leven. Een gek weet dat jonge klaplopers op rijke weduwen afkomen voor hun fortuin, niemand moest dat Melanie vertellen. Op oudere mannen viel ze niet, ze had drie stuks van boven de 60 uitgetest, kwestie van een intelligent gesprek te voeren, achteraf bij de borrel, maar ze leefden in vrees dat een hartaderbreuk hen zou treffen als ze twee keer per dag van bil gingen. Aspiranten die zich in bed, met doodsangst in hun ogen buiten adem fietsten om haar bij te houden, ontsloeg ze na het ontbijt. Zelf had ze het steevast over vogelen, het woord uitspreken met getuite lippen, was genieten. Probeer zelf en vergelijk met neuken, ik vraag u, welk woord zou het halen in een referendum? Ze wilde gevogeld worden. En in hetzelfde verband, klinkt vagina niet vleziger, sappiger en ligt het niet beter in de mond dan het droge kut, het is geleerder want het is Latijn, het is bijna een werkwoord. En vagina gelijkt in klank op vijg, een niet onbesproken vrucht. En wat dan gezegd van het woord vulva? Schede tenslotte klinkt slecht gearticuleerd teveel als scheet. Waar speelde Melanie zich in haar vrije tijd toch mee af?

Melanie van Parelamaniet had fondsen, maar geen onmetelijk fortuin. Een buitenissigheid als met Philippe was een muggenbeet of toch al een wespensteek, maar hij had haar de weg naar de casino’s gewezen en daar bijten de besten in het zand, daar vloeit het geld weg als in een zandbak. Aan de speeltafel maakte ze kennis met Albert, gematigd speler, werklustig in bed. Hij nam haar mee naar een illegaal speelhol, daar was meer te winnen en inderdaad, de eerste week won ze een half miljoen. De volgende week had ze pech, verloor het half miljoen en schoot er nog een miljoen bij in. Wee wie aan het kansspel verslaafd raakt. Haar aandelen dwarrelden uit haar kluis als herfstbladeren in de najaarswind, ze liet haar grond verkavelen en verkocht het in stukken, om de opbrengst te verspelen zodra ze het geld in handen had. Tenslotte ging Parelamaniet zelf onder de hamer en plots had ze niets meer en was dakloos. Albert had geen schulden, het speet hem dat hij haar niet kon helpen. Hij pakte in en vertrok zonder adres of persoonlijke bezittingen achter te laten.

De gezusters Vloeberghs kwamen te laat om hun zus onder curatele te stellen en weigerden de erfenis om niet zelf op te draaien voor haar schulden. Met haar pensioen en een tussenkomst van het OCMW kon ze het huisje aan de Deel huren, een slaapkamer, een salon van 16 vierkante meter, een keukentje met aanrecht en gasstel en de WC binnen. Ze kwam rond en genoot een mooie, iets te karige oude dag. Ze had er nog aan gedacht om met de papieren die ze voor Gaston had getypt grote mannen geld af te persen, maar ze vond de stukken niet meer en ach, het was toch maar geld om op de roulette te gooien.

Haar manziekte bleef ze verzorgen tot de laatste dag van haar leven, het hield haar gezond en daartoe slikte ze via haar vagina van die langwerpige, vlezige liefst harde pillen. Fortuin weg, geen gigolo’s meer, maar ik wist het en de andere heetzakken van het dorp wisten het, ze gaf zich voor een taart of een fles zoete likeur. Wij allen die het voorrecht hebben gehad ons te vermeien tussen de blote, blanke armen van de schoonheid van rond de zeventig en er durfden voor uitkomen, wilden geen kwaad woord horen van onze heilige Melanie. Stomme deelhond. Iemand waarvan we de naam niet willen prijsgeven was onderweg naar haar toen het ongeluk al was gebeurd. Hij miste de kop van het dier op een snorhaar met de fles Elixir d’Anvers die hij van de Deelbrug af naar zijn vraatzuchtige muil keilde, waarop hij onder water verdween en voor altijd terug naar de zee zwom, een ervaring rijker.


Nooit heeft ze namen genoemd van ministers en notabelen uit de tijd van Gaston en IBISA, maar wie maalde erom, die meneren waren allang dood of dement en er was al zo vaak door zoveel vertrouwensmensen aangekondigd dat ze de hoogwaardigheidsbekleders eens zouden ontbloten, maar in die fors aangekondigde biografieën werd nog minder onthuld en meer geluld dan in dit tragische levensverhaal van onze Aphrodite. Op de koopdag van de inboedel van Melanie ontbraken de dildo en de kogels haar door Gaston Holemans geschonken. De spullen waren van goud, veel geld waard en bovendien, de vrouw die de voorwerpen had weten te bemachtigen zou er veel intiem genot aan beleven, als ze wist waarvoor ze dienden.