vrijdag 21 juli 2017

01. LENA SERVAES-DEWIT

LENA SERVAES-DEWIT KRIJGT GOED NIEUWS

Wrokkig krachtmens Corneel Servaes was coureur willen worden om te ontsnappen aan het juk van het kapitalisme, maar zijn ouders hadden noch de overtuiging dat hij hard genoeg kon rijden noch de centen om voor hem een koersmachine te kopen; ze waren thuis met acht en hadden niet eens het geld om zijn trouwkostuum te betalen. Met zijn vrouw Lena Dewit had hij nooit meer over zijn coureursdroom gepraat. Ze had bij hun kennismaking vlakaf gezegd dat ze met geen koersman wilde trouwen, toen trouwbelofte nog zoveel betekende als eerste seks. Sinds zijn veertien jaar en ook nu nog, al acht jaar getrouwd, stapte Corneel elke avond in het station van Hellebeek uit de werkmanstrein, met ogen zwart van het kolenstof, elke nacht in zijn slaap schoongemaakt door tranen die streepjes trokken op zijn wangen tot op de peluw. Hij was nooit anders dan doodmoe en stervend van dorst en zonder overslaan goot hij in Café Statie een paar glazen koel blond bier door zijn keelgat om het kolenstof door te spoelen en op krachten te komen. Om zijn humeur wat op te vijzelen dronk hij soms een glas teveel, dan sprak hij tegen zijn vrouw en zoontje plechtstatig over zijn kolenschop, ontworpen volgens het stelsel van Frederick Winslaw Taylor om per steek zoveel mogelijk kolen te scheppen zonder moe te worden, volgens de Walen zo groot omdat je de flamin geen groter plezier kon doen dan hem een grotere schop in zijn poten te stoppen en volgens de vakbondsman van wie Corneel het geleerd had, zo onhandelbaar groot dat je er de stakingbrekers niet mee te lijf kon gaan. Zijn schop kon ook dienen als bord om mee te manifesteren als iemand er in wit op zwart een slagzin op schilderde.

Van armoe was Corneel kolenlosser geworden in de cokesfabriek van Vilvoorde waar hij veel te weinig verdiende voor de harde uren die hij draaide. Zwaar afstompend werk was een therapie voorgeschreven door de rijken om de werkman arm en klein te houden. De rijken hadden de arbeid uitgevonden en misbruikt om met de spierkracht, uithouding, afmatting, zweet, dorst en tranen van de kleine man hun kapitalen aan te dikken, hierin bijgestaan door de rechterlijke evengoed als de uitvoerende, de wetgevende en de kerkelijke machten, waar de rijken baas over speelden. Alleen een gewapende revolutie had die machten naar de hand van de werkman kunnen zetten, maar daar zweeg zijn vakbondsman over, die was dan ook geen lid van de Vierde Socialistische Internationale. Corneel was tot zijn veertien jaar naar school geweest, hij kon lezen en schrijven maar de moeilijke geschriften van Marx, Engels en Trotski kon hij niet aan, daarom was hij nog geen idioot. Beroepsrenner bleef een zure droom, hij kende geen ander vak dan kolenlosser, voor zover dat als vak was erkend en hij had even veel toekomst in de industrie als een Nieuw-Guineeër in zijn regenwoud.

Nu was Corneel gemobiliseerd. Koning Leopold III (tegen beter weten in nooit Pol de Grote genoemd) had alle hele en halve weerbare mannen onder de wapens laten roepen, verontrust als hij was door de overweldigingspolitiek van de Duitse rijkskanselier en meer nog door de geruststellende verklaringen afgelegd door Chamberlain en Daladier, telkens als ze door Hitler met een papyrus in het riet werden gestuurd. Corneel was al maanden ingelijfd bij een linieregiment, hij was zijn lot niet kunnen ontlopen, hij evenmin als het leger van vijfhonderdduizend opgeroepen manschappen in een schijtland als België, dat niet eens over genoeg materiaal beschikte om een brigade piotten uit te rusten met schietstokken, patronen en rijgschoenen. Zijn militaire bezigheden bestonden in zich scheren, zijn hals en zijn reet wassen, schoenen poetsen, naar het appel rennen, de stal van het paard van de kolonel uitmesten, oefenen met de bajonet op het geweer, schutterskuilen graven, gaten spitten voor prikkeldraadversperringen en proberen niet te lachen als een Franstalige officier het bevel gaf zijn paal te steek in de gat van zijn makkèr, kortom de soldaat werd met beperkte middelen paraat gehouden om de vijand terug te drijven met niet minder dan de inzet van zijn leven.

Dat de soldaat met de doodsdreiging voor ogen ‘s avonds ging stappen om te zuipen en als het kon te boeleren en op die manier zijn gezin naar de kloten te helpen, was hem door de koning niet gevraagd, maar wie verliet al niet eens het rechte pad, als men ver van huis met eigen ogen zag wat met zijn eigen vrouw kon gebeuren. Het dient gezegd dat voor zover wij weten Lena slechts een paar keer zonder Corneel op stap is geweest, met Gilbertje in de buurt, die braaf van zijn stoel toekeek hoe moeder in de armen van een vreemde soldaat een trage danste, en maar een keer heeft een soldaat hen samen naar huis gebracht, dat was om hen beiden te beschermen tegen Duitse spionnen, maar de man in kaki rijbroek mocht niet mee binnen en hij keerde boos naar het dorp terug om een nieuwe kans te wagen en Gilbertje hoorde hem nog vloeken zo ver dat hij ook bij daglicht uit het zicht zou zijn verdwenen. Van Corneel Servaes weten we het niet, die deed zijn dienst ver van hier, in de Kempen of nog veel verder, bij de grens, in Limburg bij zedige mensen of in Luik waar ze hem niet verstonden. Steek de schuld van al die onzedelijkheid op de beroerde tijden, de angst voor de oorlog die op de loer lag, de slechte voorbeelden in de door de pastoors veroordeelde films en op God, die zich over niemand ontfermde en alleen in de gedaante van het pleisterbeeld van zijn zoon in het bloemenperk voor de  kerk een vermanende vinger opstak, tegen wie was niet duidelijk.

Corneel had een paar dagen verlof gekregen en zat thuis in soldatenhemd  (en broek) te wachten op zijn vrouw Lena Dewit en hun zoontje Gilbert. Lena was dienstbode bij Kamiel Liebaert, handelaar en depothouder van gereedschap voor loodgieters en sanitaire installaties (wc-potten, badkuipen, gootstenen, toiletemmers en pispotten), weduwnaar en vader van vier kinderen. Het was haar zoontje Gilbert toegestaan na schooltijd bij Liebaert in de woonkamer op een stoel te zitten op haar te wachten tot ze gedaan had en in een album ingenaaide Bravo’s de avonturen te volgen van Pikkel en Duim die een diamant zo groot als een bloemkool hadden gevonden, van de kapitein en de rakkers en Stormer Gordon in zijn onwezenlijke wereld. De jongen besefte dat vreselijke gebeurtenissen in het verschiet lagen, het was te lezen op de gezichten van de volwassenen, in het bijzonder op dat van Willem Liebaert, de oudste zoon van Kamiel, die met zijn voorarmen op de rugleuning van de stoel waar hij schrijlings op zat, treurig en in gedachten verzonken naar buiten zat te turen, naar de meisjes die in het veelbelovende, doorzichtige licht van de late aprilzon op het kerkplein touwtje sprongen waarbij hun prille borstjes opwipten en naar de jongens, die in korte broek voetbal speelden met een tennisbal. Het kindervermaak kon hem niet opbeuren, evenmin als de kwezels die met gebogen rug en dik missaal in hun magere vingers geklemd de kerk binnenliepen voor de gedurige aanbidding om van de slechthorende Opperste de vrede af te smeken.

Willem was 19 jaar en als dienstplichtige onder de wapens. Zoals de vader van Gilbert had hij 48 uur verlof gekregen, morgen vertrok hij naar zijn regiment, een eenheid die ook veel te dicht bij de Duitse grens lag ingekwartierd en iedereen wist dat daar de vijand zat, niet in Frankrijk, integendeel, de Fransen hadden het ditmaal alweer op zich genomen de onzijdigheid van ons land tegen elke prijs en met man en macht te verdedigen, maar waar zouden ze die macht hebben gehaald.

Lena kwam uit de keuken en begon de tafel te dekken voor vijf personen. Kamiel Liebaert kwam van het winkelmagazijn naast het huis de woonkamer in, voor het avondeten. Hij zei kort goedenavond, ging in de voordeur staan en floot naar de twee jongens en het meisje die binnen kwamen gestoven. Filip, de derde in leeftijd en een jaar ouder dan Gilbert, liep naar Gilbert en pakte het album af.

“Ik heb hem nog niet uit,” verweerde Gilbert zich.
“Zwijgen Gilbert,” zei Lena.
“Het is mijn boekelees,” zei Filip.
“Geef hem terug,” zei Willem, die zich van zijn stoel verhief, “en het is een leesboek, geen boekelees en bovendien een mannekensblad.”

Filip gaf het album terug aan Gilbert, weigerig en met het dédain van iemand die zich ervan bewust was door afkomst de meerdere te zijn.

Kamiel draaide de radio aan om de laatste berichten over de oorlog op te vangen en ging aan tafel zitten. Hij zei, bekommerd: “Ze zijn in Noorwegen aan het vechten, we mogen ons hier aan hetzelfde verwachten, er komt weer oorlog.”

De soepterrine en de aardappelkom stonden op tafel. Om warm te blijven lag het vlees nog in de braadslee op het fornuis, naast de kasserol met witloof. Lena haar werk voor die dag zat erop. Ze trok haar witte voorschoot uit, deed Gilbert het stripalbum neerleggen, bond hem een sjaal om en ging naar huis op het gehucht Langelaar om daar eten te koken voor haar gezin. Onderweg zei ze dat Gilbert bij meneer Kamiel in huis naar de anderen moest luisteren, hij had daar niets te protocollen. Willem had het voor hem opgenomen, maar dat telde niet, Willem was hun vader niet en morgen moest hij optrekken. “Zoals de Nelle,” dacht ze.

Corneel zat in hun proletenhuisje in de kapot versleten club die ze van Liebaert hadden gekregen. Gilbert zag in de vermoeide, lusteloze ogen van zijn vader dat hij meer wist dan hij of de radio wilden toegeven. Ze aten botermelkpap met bruine suiker, een stuk brood en gebakken puree van het restant aardappelen van de dag tevoren. Corneel had vanavond geen zin om naar het dorp te gaan, naar de overvolle cafés waar het einde van de wereld werd gevierd met het zuipen van veel en grote glazen bier van ’t vat. Als ze gingen, en dat gebeurde meestal tijdens zijn verlof, durfden Corneel en Lena soms teveel weg te zetten en dan was Gilbert beschaamd in hun plaats om hun dronkemanspraat. Nu mocht hij tot tien uur opblijven en meespelen met de lootkaarten en dan vloog hij naar bed, zagen zoveel hij wilde. Hij hoorde va en moe nog iets doen op tafel of in de club en moeder die rare dingen zei: “doe mij niet zeer ... zo is het goed ...”. Vader die kreunde: “... waarom niet op tafel, jij op mij dan lig je mals ...”  Dan moeder weer na een lange mmmmm: “pas op laat het niet lopen... nu kan ik er weer tegen voor een tijd.” Hij dacht ze te gaan afloeren, viel in slaap en daardoor duurde het nog jaren eer hij was voorgelicht.

De volgende ochtend zat Corneel geschoren en in uniform aan tafel. Zijn 48 uren waren om. “Leentje”, zei hij, “als de Duitsers doorbreken en wie zal ze godverdoeme tegenhouden, ik niet of de ijzeren muur niet, die pissen ze omver, vraag dan om met Kamiel mee op de vlucht te mogen, ik zou niet gaarne hebben dat je met Gilbertje hier alleen achter bleef, we kennen de Duitsen van in veertien. In zijn camionette is plaats genoeg, we hebben al zoveel voor hem gedaan, ik zo niet maar jij.”

Corneel Servaes sloeg zijn ransel over een schouder, zoende zijn Leentje lang op haar mond, nam Gilbert op, kuste hem op zijn hoofdje en daarna plantte hij met beide handen zijn soldatenmuts op zijn hoofd, de gekke, vermiljoenen kwast bengelde op zijn voorhoofd. Lena en Gilbert liepen mee tot op de hoek van het huis en zagen hem in de bocht verdwijnen achter de eerste huizen van de Langelaar van de kant van het dorp, hoegenaamd niet met de tred van de soldaat met het ijzeren moreel. Wel droeg hij zijn legerbottines, in het leger was hij beter geschoeid dan op zijn werk met zijn wilgen klompen, het schoeisel van de arme. Zijn trein vertrok om acht uur, die moest hij halen, te laat op het appel was grote ellende voor een kansarme, een misdadiger als hij niet deed wat hem gezegd werd. Altijd vinden zij die de macht houden een uitvlucht om de kleine man aan banden te leggen, met verzinsels als vaderlandse plicht, schoolplicht, de sacramenten, eerbied voor het burgerlijk en kerkelijk gezag en voor de rijken. Corneel had Lena nog meer verteld dat niet bestemd was voor de oren van de kleine. Als die dat in de klas ging verklappen en het kwam de onderpastoor ter ore, dan kon hij achteruit worden gezet in de catechismus en vader in de ban van de kerk geslagen. Corneel had in de kazerne woorden gehad met de aalmoezenier die het avondgebed kwam voorlezen. Hij had niet meegebeden en gezegd dat als de oversten van de aalmoezenier geloofden in de zever die hij hen probeerde wijs te maken, hij nu niet in de kazerne zou zitten, weg van vrouw, kind, huis en werk. Hij mocht blij zijn dat de aalmoezenier hem niet op het rapport vogelde, dat had hem cachot kunnen kosten, niemand raakte aan het geloof zo kort voor het onweer van staal en cordiet. Lena wist niet wat zij van haar Nelle moest denken. Deed hij met Stalin de bolsjewiek of was hij een warhoofd. Hij had gezegd dat het hem niet zon gedwongen te worden aan het front zijn bloed te geven voor iets waarin hij niet geloofde. Ze schudde haar hoofd, van politiek begreep ze de ballen, ze stond niet zoals Corneel onder de hoede van de syndicalist die hem tot dusver niet meer had meegegeven dan een balorig humeur.

Vrijdag voor Pinksterkermis brak de oorlog uit. Harde, nijdige, scherpe knallen rukten Gilbert uit zijn kinderdromen, honderden vliegtuigmotoren deden de lucht zinderen als hing zijn kamer vol met stroken trillend zilverpapier. Zijn moeder kwam aan zijn bed en zei : “Het is oorlog, het afweergeschut schiet naar de Duitse vliegtuigen.” Ze pakte hem uit bed, kleedde hem aan en kamde zijn haar. In de kleine spiegel duwde ze haar haren in de golf, smeerde margarine en perenstroop op een roggeboterham en stopte die in de handen van Gilbert. Zo liepen ze naar Liebaert.

Op de weg naar het dorp strompelden al de eerste vermoeide vluchtelingen over de hobbelige kassei. Ze kwamen uit het oosten en hadden huis en erf moeten achterlaten in de dorpen en steden vlak onder het front. Zij waren de voorhoede van de onafgebroken rij van bange mensen te voet, per fiets, met handkarren, kruiwagens, kinderwagens, door paarden getrokken karren, vrachtauto’s en enkele zeldzame luxeauto’s, die optrokken naar Frankrijk, de veilige haven van 1914. Als er afweergranaten ontploften keken ze verschrikt de lucht in, naar de zilveren kruisjes en de witte wolkjes die naar de kruisjes hapten. Op het kerkplein zag de schooljeugd met lede ogen de foorkramers de kermisattracties demonteren en weer opladen.

Liebaert stond met een oor aan zijn radio geplakt toen Lena en Gilbert langs de achterdeur binnen liepen. “We moeten hier weg, het gebied wordt ontruimd, bevel van hogerhand,” zei hij ontstemd. “Het opperbevel verwacht zware gevechten aan de KW-linie, dat is op een boogscheut van hier. Ons leger en het Britse leger moeten wijken aan het Albertkanaal, na zware gevechten en heldhaftig verzet.” Heldhaftig verzet, voegde hij eraan toe, was niets voor een klein land, dat bracht alleen maar meer dood en verwoesting mee. “Als mijn jongen maar het verstand heeft om bijtijds zijn armen in de lucht te steken. De Duitse troepen zijn overal tegelijk, niemand krijgt de kans om zich te verweren. Willem heeft nooit een vlieg kwaad gedaan. Had hij zich laten inschrijven aan de universiteit dan was hij nu geen soldaat. Maar neen, hij wil de held uithangen. Ik ben schuldig als ik niet ga, zei hij, want dan laat ik jongens van mijn leeftijd die zich niet konden vrijkopen van legerdienst in de steek, en ik ben schuldig als ik wel ga omdat ik dan geen dienstweigeraar ben. Als dat geen prietpraat is van communisten weet ik het niet, dat is regelrecht bolsjewisme.”

“Is dat erg pa,” vroeg Karel de tweede oudste die stond te fikfakken met Filip. Gilbert had de Bravo te pakken en zat te lezen en te luisteren. Hij had het woord communisme thuis al gehoord van zijn vader, maar moeder had liever dat hij daarover zweeg, het had er waarschijnlijk mee te maken dat ze bij Liebaert genoeg geld hadden om weekbladen te kopen, een radio, elektrische apparaten, krentenbrood en nog meer als het erop aankwam, en zij thuis niets dat erop geleek. Marianne, het dochtertje, twee jaar jonger dan Gilbert, speelde met een pop die haar ogen kon sluiten, mama zeggen maar nog geen pi-pi doen. Lena die niet stil kon zitten was in de keuken aan de afwas.

“We moeten binnen de drie dagen het gebied ontruimen,” zei Kamiel Liebaert, die met gezag de aandacht van de aanwezigen opeiste, “maar we vertrekken vandaag, dan zijn we weg voordat de wegen vol zitten, zie nu al eens. Dat wil zeggen dat we het hoogstnodige in koffers en in tafellakens inpakken, kleren, ondergoed, beddengoed, eetgerief, proviand, flessen drank, geen overbodige dingen. Ik heb de twee vrouwen in het magazijn en de leerjongen naar huis gestuurd. God weet wanneer kunnen we de zaak terug opendoen. Ik heb de luxevoiture in de garage gezet en de poort op slot gedaan. We rijden met de camionette.”

Lena had van in de keuken naar Kamiel staan luisteren en kwam te voorschijn. “De Nelle heeft gevraagd of ik en Gilbert mee mogen,” zei ze, “als je dan toch met de camionette rijdt.”

“En waarom niet, dat had ik voorzien, in oorlogstijd moeten we mekaar helpen,” zei Kamiel, “het zal wel krap zijn, maar we winnen een plaats omdat Willem er niet bij is en die twee zijn nog klein, die nemen maar een plaats in. Zorg als je kunt dat je binnen een dik uur hier staat.”

Lena deed Gilbert zijn jasje aan en gebaarde dat ze niet zag dat Karel en Filip naar elkaar stonden snuiten te trekken, met hun lippen vooruit maakten ze toten.

Onderweg naar huis zweeg het luchtdoelgeschut voor een tijd, de vijandelijke vliegtuigen waren even terug naar hun basis om bij te tanken, bommen te laden en nog meer kwaad aan te richten. In het open veld bleef moeder staan, hield een oor naar het oosten gekeerd. “Luister jongen,” zei ze, “dat gerommel als van de donder, dat is het kanon aan het Albertkanaal. Wee wie daar zit, daar vallen veel doden en verminkten. Vader vecht daar voor zijn leven, voor ons en omdat hij niet anders kan en zeggen dat hij nog zoveel plannen had. We gingen een wasvat kopen en een elektrische pomp op de waterput. En jij bent zijn wonderkind, jij moet het verder brengen dan die losbollen van Kamiel.” Ze liet een traan.

Lena bezat geen reiskoffer, zelfs niet van geperst karton en ook geen tafeldoek. Ze gooide wat ze nodig meende te hebben op een proper laken: kledingstukken, ondergoed, handdoeken en washandjes, zeep, een pak klontjessuiker, messen, vorken en lepels en drinkbekers, bijna alles wat ze bezat. Ze maakte een kleinere bundel voor Gilbert en vulde twee linnen winkeltassen, de kleinste voor Gilbert, met het beetje eten dat ze in huis had, en ze trokken naar het dorp, met de stroom vluchtelingen mee, vijf miljoen Belgen en Nederlanders onderweg naar Frankrijk, waar ze eten, drinken en slapen zouden krijgen. Toen ging dat nog allemaal, toen de mensen niets hadden, daar tevreden mee waren en het deelden met de minder gelukkige evennaaste.

De bestelwagen van Liebaert stond voor de deur op het kerkplein en Kamiel en de jongens hadden de laadbak al volgestouwd. Tussen het reisgoed en de bestuurdersbank lagen vier jutezakken gevuld met stro, voor de kinderen om op te zitten en zich aan vast te houden. Lena zat op de zetel van de bijrijder naast Kamiel om de kaart te lezen of ze tenminste gereed te houden als Kamiel erom vroeg.

Kamiel vertrok in de richting van Kampenhout-Sas, om daar de provincieweg naar Brussel te nemen, zien dwars door Brussel te geraken en dan naar de Franse grens, zoveel mogelijk in zuid-westelijke richting, om te vermijden dat de Duitsers hen de pas afsneden. Op 13 mei lieten ze Amiens achter zich en ontsnapten aan de omsingeling van de Duitse pantserdivisies, die reeds op 20 mei Amiens zouden bereiken en nog dezelfde dag doorstoten naar Abbeville en de kanaalkust.

Om te overnachten vroegen ze bij de boeren om de auto te mogen parkeren op het erf en om te slapen op de hooizolder. Dat kregen ze niet altijd gedaan van wantrouwige boeren en dan zochten ze een rustige plek op een zijweg, een weide, de rand van een bos omdat het gemakkelijker was daar hun grote en kleine boodschappen te doen, in een openluchttoilet, zei Kamiel, die voor die dingen een naam had want het was zijn beroep. Alle omstandigheden in acht genomen, waren het avontuurlijke dagen en nachten voor de kinderen, die weinig ongemak ondervonden van het gebrek aan comfort. Kamiel sliep altijd in de buurt van Lena, op minder dan een armlengte, kwaad zat daar niet in, hij moest van Corneel op haar passen. Lena mocht gezien worden, met haar halflang donker haar dat aan een kant over haar voorhoofd hing, haar rond gezicht zacht als een perzik, lippen die niet om een kleurstof vroegen en een buste die het zonder houder stellen kon.

De strategie van Liebaert was zo diep mogelijk Frankrijk in te dringen, het zuiden, zei hij, als ze dan toch moesten vluchten, dan even goed naar de Midi. Dikwijls stonden ze uren stil tot de weg weer open was, na luchtaanvallen van de Luftwaffe die de wegen bestookte en niets of niemand ontzag, geen onderscheid maakte tussen verslagen maar nog bewapende militaire colonnes en wanhopige vluchtelingen. Hij verwezenlijkte zes mirakels door achtereenvolgens te ontsnappen aan de omsingeling, mitrailleurvuur van de jachtvliegtuigen, confiscatie van zijn voertuig door militairen in aftocht, door aan benzine te komen, niet plat te rijden en zijn motor het te laten uithouden tot voorbij Avignon, tot Saint-Remy-de-Provence. Dat was ver genoeg, verder reed hij niet, veel verder kon hij niet dan zat hij aan de zee, acht dagen en nachten in een bestelauto volstonden, het leek erop dat hij van in het begin zijn gedacht op Saint-Remy had gezet. Hij liet zijn passagiers uitstappen om zich te vertreden op het marktplein, een slok te drinken aan de openbare fontein en ging zich dan melden op de mairie om een onderkomen te vragen voor zijn gezin van zes personen.

Saint-Remy-de-Provence telde veel leegstaande panden, daar zaten de vorige grote oorlog en de Franse decadentie, mede oorzaak van het geboortentekort, voor veel tussen. Nu kwamen ze van pas om vluchtelingen in onder te brengen. Een politieman met zijn rare pet van treinwachter van bij ons, ging mee naar een huis in een smalle straat in het centrum, niet ver van de rue Nostradamus, zoals achteraf bleek. Twee verdiepingen, ruim genoeg voor hun zessen, geen luxe, maar Kamiel had van tevoren gezegd dat ze daar niet hoefden op te rekenen. De deur was open, geen sleutels, er was een zwartgeblakerde haard en er lag twee centimeter stof en gruis op de vloer van alle verdiepingen. Schoonmaakgerief hadden ze niet meegebracht, daar ging Kamiel voor zorgen. Meubelen stonden er niet meer, het was het soort verlaten huizen die men in het zuiden van Frankrijk in alle kleine steden aantreft, ze staan leeg maar vervallen niet in het droge klimaat, ze geraken alleen maar onder het stof en het zand bedolven, tot ze 20 eeuwen later weer opgegraven worden en dan Glanum heten, zoals de blootgelegde Romeinse nederzetting bezuiden de stad.

Het meubelprobleem was een zaak voor het stadsbestuur. Nog voor de avond viel, kreeg de groep Liebaert vier britsen en een tweepersoonsbed, voor Lena en Kamiel. De Fransen, die aan zichzelf de anderen kennen, gingen ervan uit dat Lena en Kamiel bijeen sliepen, maar dat deden ze niet. Kamiel zou dat misschien wel gewild hebben, maar Lena drong erop aan dat de twee jongens in het grote bed sliepen, of Kamiel met Marianne, of zij met Marianne, maar zij met Kamiel, neen, niet waar Gilbert bij was, die zag alles, die had ogen op zijn gat, of de jongens, die trokken al snuiten genoeg. Het gemeentebestuur bezorgde tegelijk vouwstoelen en een vouwtafel (die anders dienst deden op 14 juillet als in de straten werd gefeest) en Frans geld, geleend geld, later door de Belgische staat terug te betalen. Liebaert had geen moeite met de taal, evenals de Fransen in het zuiden had hij zijn middelbare school in het Frans gedaan, hij was een welopgevoede Vlaming. Nog dezelfde dag ging Kamiel met Lena naar een ijzerwinkel en ze kwamen terug met een petroleumstel, kookpannen had Kamiel zelf meegebracht, en een petroleumlamp - er was geen elektriciteit in het huis - een emmer, een borstel en twee dweilen. In een paar uur met wat gekregen geld hadden deze West-Europese vluchtelingen de grootste ongemakken overwonnen. Kamiel verwarde ongemak niet met ongeluk, dat kwam later. Voor hun sanitaire behoeften moesten ze de straat op naar het openbaar toilet, ook dat was Frankrijk. Lena liep dan mee met Marianne, die was bang voor het dreigend gat van het onheilspellend pedaaltoilet.

De volgende dag trokken ze voltallig de stad in, op verkenning. Kamiel, wie anders, hij stond in voor zijn gezin, speelde het zo klaar dat de vier kinderen een plaats kregen in de klassen van de stedelijke school, de kleine Marianne in een kleuterklas, wat haar leek te bevallen. In weinig weken staken ze een pak Franse woorden op, zelfs Filip, die in België had staan dansen omdat de school gesloten werd, zei al bonjour en comment ça va.

Kamiel hielp Lena bij het zindelijk maken van de kamers die ze betrokken. Emmers stof, gruis en ander afval dat Lena bijeen keerde, droeg hij in het tuintje achter het huis, een somber koertje, ingesloten door vier hoge muren. Lena nam als vanouds het huishouden op zich. In moeilijke omstandigheden bracht ze het schitterend voor mekaar, zei Liebaert, die haar in Frankrijk meer als gelijke dan als dienstbode behandelde. Een grondige schoonmaakbeurt om er een kraaknet maar leeg en akelig huis van te maken, had weinig zin in een klimaat dat mensen afkerig maakte van werken en binnen zitten, zon en warmte nodigden tot luieren en liggen in de open lucht. Liebaert paste zich wonderwel aan de nieuwe wereld aan, hij was een verwoed wandelaar geworden, het was alsof hij de stad en de omgeving in detail wilde registreren voor latere, zalige herinneringen en hij had maar twee dagen nodig om de witte wijn die daar in de schaduw van de iepen geschonken werd, naar waarde te leren schatten. De kinderen op school, gelegenheid zat om lange tochten te maken met Lena, tot aan Glanum, de Romeinse ruines, tot de Alpilles, waarachtige Mini-Alpen. Vaak bleven ze staan genieten bij een aanplanting olijfbomen, tegen de heuvels opklimmende wijngaarden, een veld met lavendelheesters of braakliggende grond overwoekerd door geurig onkruid. Lena snoof haar neus dan vol tot in haar hersencellen met de kruidige lucht van het zuiden en ze liet Kamiel begaan als hij een arm om haar middel legde en een vluchtige kus op haar hals plakte.

Op het einde van mei begon de vakantie in de Franse scholen. Ze hadden de kinderen weer aan hun been. Karel en Filip, Filip een jaar ouder dan Gilbert maar veel meer volwassen, hadden vrienden gevonden bij de Fransen en de vluchtelingen uit het noorden, ze gingen hun eigen gang zonder dat hun vader achter hun vodden zat en kwamen enkel naar huis om te eten als ze bij hun nieuwe vrienden niets te bikken hadden gekregen. Gilbert was nog te klein om op zichzelf te zijn aangewezen en bleef bij zijn moeder die hem in huis op Marianne liet passen, terwijl zij en Kamiel boodschappen deden in de stad en wie weet een glaasje witte wijn snoepten onder de olmen. Als zij een grote wandeling maakten in de natuur, lieten ze Gilbertje en Marianneke achter op een rustige plek in het droge, geurige gras terwijl het paar op de landwegen uit het zicht verdween om bij de boeren verse melk en groente in te slaan, voor het welzijn van de kinderen.

Eens op een wandeling in de stad kwamen ze bij een herdenkingsplaat van Nostradamus, in 1503 in het stadje geboren. Kamiel las de Franse tekst en vertaalde vervolgens dat de geleerde man in zijn tijd wonderlijke geneesmiddelen wist samen te stellen maar door naijver en laster in het nauw gedreven, noodgedwongen met sterrenwichelarij was begonnen en zo geleerd had de toekomst te voorspellen.

“Kon hij maar voorspellen dat Willem ongedeerd of tenminste levend van het front terugkeert,” zei Kamiel.
“En Corneel,” zei Lena, “wat zou ik doen zonder onze Nelle, wie gaat geld verdienen om Gilbertje groot te brengen en zijn school te betalen, want ik zou willen dat hij verder studeert.”
“Als Corneel iets overkomt en dat wens ik hem niet en dat meen ik, dan kun je altijd bij ons komen wonen,” zei Liebaert, die een glas of vier witte wijn op had. “Willem zal dat zeker verstaan, hij zal veel van huis weg zijn als hij op de universiteit is en hij zal ooit wel trouwen. Gilbert is een slim kereltje, hij moet verder studeren, daar sta ik borg voor.”
“Karel, Filip en Marianne zijn er ook nog.”
“Die moeten luisteren en Gilbert behandelen als hun broer.”
“Ach waar praten we over, waar praten we eigenlijk over, meneer Kamiel,” zei Lena.

De blitzkrieg was van korte duur. Eerst capituleerden de Belgen, zeer tot ongenoegen van de Fransen, er zaten meer dan een miljoen Belgen in hun pels, uit onwetendheid hadden ze tijdelijk gelijk te mopperen. Op het speelplein werden Karel en Filip enkele dagen met de nek aangekeken, ze mochten niet meer meedoen in het handbalspel op het speelplein. Einde juni gaf het Franse leger op zijn beurt de pijp aan Adolf, de oorlog was verleden tijd, alleen de Britten geloofden nog, gelukkig maar, dat ze de Dolf aan zijn vel konden zitten.

Geen troepenverplaatsingen meer, voorlopig gedaan met kanonvuur en luchtbombardementen op het vasteland, geen reden meer voor Frankrijk om vluchtelingen te onderhouden en de repatriëring kwam op gang. In augustus kreeg Kamiel Liebaert zijn papieren en de nodige benzine om terug te keren naar België. Op zich was het al met al geen sombere tijd geweest, zeker niet voor de kinderen, Kamiel de weduwnaar en Lena met een man ergens te velde, hadden het hunne ervan genomen, binnen de perken, we mogen niet overdrijven. Dat mooie, zachte, bekoorlijke, vruchtbare land in het zuiden van Frankrijk, waar God woonde, had hen bekoord, maar Frankrijk ontdeed zich van zijn vluchtelingen, dat lag voor de hand en er was niets tegen in te brengen.

Aan de scheidingslijn tussen het vrije Frankrijk en bezet Frankrijk, zag Gilbert de eerste Duitse soldaten en officieren. Ze hadden de zelfverzekerde houding van de overwinnaar, wat niet wegnam dat ze de vluchtelingen behandelden op een manier die niemand had verwacht of had durven hopen, ze gedroegen zich als heren. De eerste indruk van de kleine Gilbert was, dat Hitler niet werkte met moordenaars en duivels, wat de grote mensen hadden voorspeld, maar Hitler was de Kaiser niet, het ene monster was het andere niet.

In het deel van Frankrijk door Duitsland bezet, Frankrijk onder de laars, heerste een andere, een bedrukte stemming. Het weer was als bij toeval minder fraai, een graad of twee noorderbreedte maakten het verschil, de plantengroei was eentoniger geworden en begon te gelijken op die van Hellebeek. Tot hun ontsteltenis reden ze voorbij kapotgeschoten huizen en verminkte bomen. Uitgebrande tanks en voertuigen zagen ze niet, die waren in die paar maanden weggesleept, hier en daar was langs de weg of dieper het veld in, een houten kruis blijven staan, sommige met een helm erop, als een afgeschoten hoofd .

“Hier liggen geen Belgische jongens,” zei Liebaert, “die zijn zover niet geraakt.” Hij wilde zichzelf, zijn kinderen en Lena moed inspreken, ook Gilbert natuurlijk, maar wat hij zei raakte geen kant.

De terugreis verliep, naar omstandigheden, voorspoedig. Soms moeilijk om slapen te vinden, dan legden ze zich neer in de bestelwagen, ze hadden al zoveel meegemaakt dat slapen op de harde bodem geen versterving meer was. Over Brussel bereikten ze Zemst en zo hun dorp. Kamiel Liebaert reed eerst naar het huisje van Lena, naar het gehucht Langelaar waar de huishuur nu al enkele maanden buiten haar schuld achterstallig was. Hij hielp de bundels vluchtelingengoed binnen dragen, toonde zich een dienstvaardige heer, daar moest hij geen moeite voor doen, dat was aangeboren, maar was hij er niet heimelijk op uit te vernemen of Corneel al gedemobiliseerd was, of gesneuveld? Van Corneel was geen spoor.

Lena had niet veel zin om wat dan ook te doen. De inboedel lag onder een laagje stof, dat kon ze in een keer wegblazen. Ze knoopte de pakken open en legde een gedeelte van de inhoud op tafel. Ze was niet op haar gemak, ze was door iets gebeten en maakte Gilbert mee onrustig, zo zag hij haar niet dikwijls, ze was gekweld door een gevoel, een emotie. Moeder zei dat ze het niet uithield. De postbode had geen brieven van Corneel onder de deur geschoven, waar was hij, wat was hem overkomen, was hij gesneuveld, wat een gaaf woord was voor iemand die in stukken vaneen kon zijn geschoten. “We moeten naar het dorp,” zei ze, “we hebben geen eten in huis.”

Ze liep eerst naar het postkantoor. In het postkantoor zat de postmeester achter zijn lessenaar het geheimzinnig schrijfwerk te verrichten dat hem zijn aanzien in het dorp verschafte. Hij knikte toen hij Lena en Gilbert zag binnenkomen en kwam naar de balie. ”Thuis geraakt,” zei hij, “we zijn gesloten maar dat geeft niet, ik geloof dat ik een brief heb voor jou.” Hij haalde de brief van tussen een stapeltje enveloppen, er was een postzegel op gekleefd met de afbeelding van een mannenhoofd met snor en bles.

“Die is voor jou en komt van Corneel Servaes,” zei hij en bekeek de naam op de achterkant.
“Het is de Nelle zijn geschrift,” zei Lena, “zijn er al soldaten terug thuis?”
“Er zijn al een paar krijgsgevangenen thuis,” zei de postmeester, “heb je het gehoord van die boot die op de Schelde op een Engelse mijn gelopen is? Honderden Belgische soldaten die in het ruim zaten zijn verdronken. Dat moet een verschrikkelijke dood zijn, en zo nutteloos. Ik hoorde dat zelfs de Duitsers het erg vonden, pure verspilling, zeiden ze. Een stuk of  twee van het dorp zijn mee de kelder ingegaan. Ze brachten de krijgsgevangenen met kolenlichters naar Duitsland, ook een gedacht.”

Buiten op straat scheurde Lena de envelop open en las de brief luidop, dat Gilbert mee kon luisteren: ‘Liefste Leentje en Gilbert, Ik zit in Oostenrijk. Ik ben gevangen genomen op de aftocht tussen het Albertkanaal en Antwerpen. In Antwerpen hebben de Duitsers ons op kolenboten gezet en naar Duitsland gesleept. Zes weken hebben we in een kamp gezeten en dan zijn we op een trein gezet naar Wenen. Dan met vrachtwagens tot bij de boeren om op het land te werken, het werkvolk in Duitsland zit in het leger. In het begin veel honger geleden en vermagerd, mijn broek flodderde rond mijn gat, maar dat is nu beter. Ik hoop dat ze ons spoedig naar huis laten komen, hier weglopen kan ik niet, dat is veel te gevaarlijk, maar ik tracht toch zo naar jou en Gilbert. Tot ziens en dikke kussen. Corneel.’

“Corneel leeft nog, godzijdank,” zei Lena, “nu heb ik weer iets om mij aan vast te houden, nu mag hij komen.” Ze snikte een paar keer en glimlachte tegelijkertijd.

Bij Liebaert in huis was het veel te stil. Karel en Filip stonden niet te fikfakken, ze zaten aan tafel en durfden hun vader niet aan te kijken. Zelfs Marianne was heel stil, het moest haar niet gezegd worden, het kind voelde het onheil als een natte broek. Met stramme kaken bracht Kamiel het er met moeite uit: “De burgemeester is hier geweest. Willem zat in de boot die op de Schelde op een mijn gevaren is. Hij zat beneden, hij had geen kans. Mijn arme Willem ...” Hij kon de nuchtere stijl van zijn mededeling niet volhouden, barstte uit in tranen en verborg zijn gezicht in het halshaar van Lena.

Hij werd weer zichzelf. “Gevallen voor het vaderland op het veld van eer,” zei hij, “wat had hij met het veld van eer te maken?”
“Willem was zo tegen de oorlog,” zei Lena, “nog veel meer dan Corneel. Ik heb nieuws van mijn man, Corneel is nog in leven, maar is vermagerd. Hij hoopt binnenkort naar huis te komen.”

“Barmhartige God, er is ook goed nieuws,” bracht Kamiel met moeite uit.

Geen opmerkingen: