vrijdag 21 juli 2017

18. RIKKEPIK JANSSENS

 DE STILLE HELD VAN HELLEBEEK

In de schaduw van de Kiosk maakte Charles Klabots aanstalten om uit zijn auto te stappen en zich naar café De Statie te reppen. Daar zat altijd volk tot laat in de avond. Een receptie op de zaak was wat uitgelopen en met een licht stuk in zijn kraag wilde hij even hoogte nemen van hoe het er in zijn thuisland aan toeging, nog een laatste glas drinken met mensen die hij kende van vroeger.

Het toeval wilde dat een oude vrouw zich schuifelend voortbewoog langs de gevels die het overigens verlaten dorpsplein van Hellebeek omsloten. Ze droeg een lelijke, bruingele, verschoten anorak, totaal uit de mode, had haar grijze haren niet gekamd, ze hield haar te grote handtas onder een arm geklemd en liep met haar hoofd in de grond. Dat beeld van vereenzaming en vertwijfeling greep hem zo aan, dat zijn blij vooruitzicht om een praatje te maken met oude kennissen omsloeg in wrang medelijden. Het restant alcohol in zijn bloedsomloop volstond om zijn stemming van zonnig naar druilerig te doen omslaan, een gevoel van schuld deed de rest en de tranen welden op. Lang geleden was zij het liefste wezen dat hij op aarde had gekend en hij had nooit ergens anders gewoond dan op deze planeet. Die oude vrouw was Mitte Janssens zijn moeder, op de dool, onderweg naar een leeg huis, niemand die haar had willen binnenlaten omdat ze overal in de weg zat. Hij was zo aangedaan dat hij niet wist wat hij doen zou, haar inhalen, naar huis brengen en praten of blijven zitten, gebaren dat hij haar niet zag. Hij besloot niet naar De Statie te gaan, gepakt door leed dat elk ogenblik kon overlopen, met betraande ogen kon hij niet onder de mensen komen en hij bleef achter zijn stuur zitten, denkend aan vroeger toen alles anders en beter was, zoals wij ons verkeerdelijk inbeelden.

Met een moeder die de schande geweest was van het dorp, nog sluimerend aanwezig in het geheugen van de oudere inwoners en met de vinger werd gewezen; grootmoeder Vika, vroeg weduwe geworden, die tot haar dood in de weer was geweest voor haar kleinkinderen met als enige dank kwetsende verwijten omdat haar eten niet goed was (ze kookte de biefstuk in plaats van die te braden); de kromgegroeide oom Rikkepik die dag en nacht op zijn legerstee lag, enkel nog kon staren naar het plafond en bang was om te sterven; een jongere zus Esther die hem kleineerde liefst als er andere mensen rondom stonden; hij met een afwijkend want edelmoedig karakter, een bedeesdheid die hem in de hoek dreef, tot overmaat van ramp diepgelovig, drager van een scapulier, net geen fundamentalist, die elke avond in zijn bed tien onze vader en tien weesgegroeten bad tot Jezus, die toch op aarde was geweest, om zijn vader terug te krijgen en zijn moeder betere manieren te leren; meer dan vijftig keer hemelhoog verliefd geweest op alle schoonheden en lelijkheden uit zijn omgeving, maar uit hoofde van zijn beschaamdheid niet durfde aan te spreken; en met een naam als Klabots had hij het heel moeilijk gehad om doorheen zijn puberteit te spartelen in een dorp dat bekend stond om zijn kiosk en zijn zelfverzekerde, lachgrage en spotzieke burgers.

Zijn vader Miel was zo onvoorzichtig geweest om enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog het zeegat te kiezen, met het voornemen voor zijn gezin enige welstand te vergaren en was niet weergekeerd, als zovele dappere zeelieden die het met de Duitse Kriegsmarine aan de stok hadden gehad. Midden in de oorlog bracht het Rode Kruis de tijding dat vader met zijn boot op een mijn was gelopen en hij was niet onder de vier of vijf overlevenden die, heelhuids of verminkt, door de ontploffing in zee waren geslingerd. Het hele gezin huilde om ter hardst, Rikkepik de gebrekkelijke, grootmoeder Vika, de kinderen en Mitte, die plots wist dat ze een jonge weduwe was en mocht uitkijken naar andere venten. Charles had geen gehoor gekregen van die lui boven in de hemel en zo kiemden de eerste uiterst minuscule geloofstwijfels. Het had geen zin nog voor zijn vader te bidden, hij bad nog voor zijn oom Rikkepik, die moest het stellen met een mals snoepje of wat soep die zijn moeder hem in zijn mond stopte en nog een beetje voor zijn moeder. Voor zichzelf had hij nooit gunsten afgesmeekt, dat doet een onbaatzuchtige jongen niet en zijn zuster moest maar zien dat ze er kwam. Het ging later van kwaad tot erger met zijn geloof toen de volle gruwel van de vernietigingskampen bekend raakte. Voor zover hij nog geloofde dat er ergens ver weg iets als een god zou bestaan, waar weet niemand, kon dat in de nieuw onthulde omstandigheden onmogelijk een goede god zijn en omdat voor ons god de opperste goedheid is, bestaat er geen god. Dat was zijn sluitrede, daarover geen discussie, hij zou toch geen gelijk kunnen halen tegen fanatieke gelovigen, die zo lang de paus zelf het niet had toegegeven, nog dachten dat Galileo Galilei ongelijk had. De catechismus die hem op de goede weg moest leiden legde hij naast zich; evenzo de Gewijde Geschiedenis, dat onding dat lieden als Abraham, Lot en Jozua als onze stamvaders lauwert. In plaats van nog mee te mompelen met de kerkgemeenschap ‘Spaar ons heer en bekeer de zielen, door het ongeloof, door het vermaak misleid’ zong hij vals en uit volle borst mee met het werkvolk: ‘C’est la lute finale, wij zijn de verworpenen der aarde, rood is troef.’ En hij las het Communistisch Manifest van Marx en Engels, edel gedachtegoed zo lang de politiek en de despoten er met hun poten afbleven. En zijn geloof vloeide weg als dikke vloeistof door een teems met fijne gaten.

Charles keek omhoog naar de kerktoren, die stond in niemands weg en zou nog lang overeind blijven als hij geen oorlog over zich heen kreeg, zelfs als geen mens nog naar de mis zou komen, misschien nog langer dan het eeuwenoude vorige torentje dat in 1914 door de Duitse troepen in triomf was platgelegd, inbegrepen de kunstwerken die het rijk was, omdat het ocharme zou kunnen dienen hebben als uitkijkpost voor de geduchte Belgische artillerie, onze Regis Ultima Ratio. Door omstandigheden was hij hier niet gedoopt maar had er zijn eerste communie gedaan, de fameuze Mechelse catechismus tot op de komma uit het hoofd geleerd om zijn plechtige communie voor te bereiden, onverhoeds de mooiste dag uit zijn leven, had zijn vormsel ontvangen, zijn geloofsbrieven voor de hemel had hij op zak en dan had hij het laten afweten. Getrouwd was hij niet in deze kerk, ook in geen andere kerk zonder ook maar enig schuldbesef, dat had hij diep begraven samen met zijn geloof, dat hem in zijn kindsheid schaamteloos was ingeprent, vanaf het ogenblik dat het eerste lichtschijnsel tot zijn weerloze hersentjes doordrong.

Hij wendde zijn hoofd af van de kerk om deze onheilige gedachten af te stoppen en besefte dat hij geparkeerd stond op de plaats waar de kiosk had gestaan. Ze was op een tiental jaren na zo oud als de nieuwe kerk, evenzeer een tempel, een gedenksteen van zijn eerste en enige optreden in het openbaar. Tot in de vroege jaren vijftig bood de kiosk nog regelmatig beschutting aan de openluchtconcerten gegeven door de ijverige dorpsfanfares en muziekkorpsen uit het omliggende, de laatste zeshoek in een hopeloos verweer voor het behoud van het gemoedelijke, rustige en prettige leven op het platteland. Na 1960 was ons odeon helemaal uit de tijd, buiten gebruik en eerlijk gezegd, onze vooringenomenheid even opzij gelaten, niet voor de eeuwigheid bestemd. Ze leek van hout te zijn gemaakt, op zich vergankelijk materiaal zo lang het geen eik is. De schors, knoesten en zaagvlakken van de boomstammen die het dak droegen en de dikke takken die tot versteviging dienden, zagen eruit als echt hout maar het was groen, geel, oker en bruin geverfd beton, trompe-l’oeil van jewelste maar geen houtgewas. Kunstig, kleurig, sierlijk en bijna zo mooi als hout, maar het bleef ruw sierbeton dat niet in aanmerking kwam om door de Unesco als werelderfgoed te worden erkend. De kiosk was een laatste reliek van landelijk leven uit een tijd dat het dorp nog in handen was van de inboorlingen, toen zij nog van de overkant van het plein naar elkaar goeden dag riepen, geslachten die aan hun familienaam te horen, teruggingen tot de tijd van Napoleon. De slager, de meeste stamineebazen die nog boerenjongens in huis hadden, de brood- en vlaaienbakker, de barbier, de loodgieter, de schoenlapper, de bollenwinkel, de hoefsmid hadden het onderspit moeten delven tegen de banken, de appartementsgebouwen en de Chinees, met andere woorden het kapitaal had gewonnen. De vier kleine boeren van wie stal en schuur aan het kerkplein paalden en die regelmatig het aroma van hooi, stro en pas gemaaid snijkoren, ook van suikerbietenpulp, draf van de brouwerij, koeienmest en leeggeschepte beerputten over het plein lieten walmen, waren verjaagd door het plan Mansholt; niet alle maatregelen van een jonge Europese Gemeenschap waren meesterzetten op het vlak van een dorpsgemeenschap. De kiosk, een persoonlijkheid maar geen menselijk wezen, wel met een locale cultuurhistorische betekenis, was de enige overlevende uit een malse tijd en pronkte hier stoerder dan van nephout kon worden verwacht. Maar de muziektent was veroordeeld en moest ophoepelen, ze was al lang een doorn in het oog van de bankiers en de bewoners die de appartementen hadden ingenomen en het hier voor het zeggen kregen via de ook al ingeweken leden van het gemeentebestuur. Het ging om parkeerplaatsen, die konden er niet genoeg zijn en de kiosk was een sta-in-de-weg, diende tot niets meer en was gedoemd te verdwijnen uit onze moderne, autozieke en progressieve maatschappij. En op een vroege ochtend zou een enorme rijdende kraan op rupsen gewapend met de verschrikkelijke tonnenzware stalen sloopkogel de kiosk tot stof doen vergaan. Het trotse bouwsel verdiende die laffe vernedering niet, een fatsoenlijk gemeentebestuur zou een beroep hebben gedaan op de rechtvaardigen die voorzien van mokers en koevoeten toch voor wat stervensbegeleiding hadden kunnen instaan.

Velerlei gebeurtenissen die niet alleen ons dorp maar het hele land overrompelden in het tweede kwart van de twintigste eeuw, hadden zich afgespeeld in het gezichtsveld van de kiosk. De bouw van het cementen kunstwerk moet een technisch hoogstandje zijn geweest. Ze heeft in de loop van haar bestaan gehoor verleend aan vele kunstconcerten, weliswaar van blaaskapellen maar bekwaam fragmenten te spelen uit ‘In het witte Paard’, grote stukken uit ‘Goud en Zilver’ van Lehar maar die zich niet waagden aan de crescendo’s van Rossini. Voor de oorlog was rondom de kiosk in het rebelse Hellebeek een betoging van het opstandige Boerenfront tegen de bedrieglijk geachte Boerenbond gehouden, in 1940 had ze de Belgische troepen de aftocht zien nemen, met de opgejaagde burgerbevolking voor hen uit, ze had de glorierijke intocht van de Duitse troepen die onze jongens op de hielen zaten meegemaakt, niet gehaast om er veel dood te schieten, ze was er bij als de boeren van Hellebeek hun paarden moesten laten keuren door veeartsen van de Duitse Weermacht die op de kiosk met tafels en stoelen een tijdelijk kantoor hadden ingericht die de geschikte exemplaren eruit pikten om ze naar het Oostfront te sturen, ze had meegemaakt hoe met kaapstanders, takels en stalen kabels de klokken uit de toren werden gestolen om er Duitse kanonlopen van te gieten, in 1944 had ze het haveloze Duitse leger in omgekeerde richting zien aftrekken, afgetakeld op zoek naar boerengespannen en bedelend om fietsen omdat hun kapotte voeten hen niet vlug genoeg naar de heimat konden dragen, kort daarop volgden de zegevierende, gemotoriseerde eenheden van het Britse leger, ze had vliegende bommen knetterend als kwade Harley-Davidsons met hun dodelijke lading in de richting van Antwerpen horen protten of dichtbij weten inslaan. In oorlogstijd zongen de schoolkinderen op de kiosk cantates geschreven door Vlaams-nationalistische toondichters ter ere van een honderdjarige of bij de inhuldiging van de nieuwe pastoor. Na de bevrijding was de kiosk het schandalige forum waar verzetslieden van het elfde uur vrouwen, die met Duitsers geslapen hadden, voor het oog van de dolle massa kaal schoren, ook zijn moeder. De degradatie van de entresol van de kiosk tot cachot voor de gestrafte soldaten van een inderhaast gemobiliseerde Belgische eenheid om alsnog Belgische soldaten naar het westelijke front te sturen, namen we erbij als een ander dieptepunt. Al deze feiten hadden diepe en blijvende inscripties moeten zijn in het plafond van de kiosk, maar niets daarvan.

De vrijwilligers die zich hadden gemeld om gratis met plamuurmes en verfkwast de kiosk van de erosiedood te redden werden afgewimpeld. Het enige waar de kiosk nog goed voor was op het einde van het jaar, was dienen als onderdak voor de stal van Bethlehem, met levensgrote beelden, echt stro, echte dieren, echt mest, een gipsen kindeke Jezus en verder in de loop van het jaar bleef ze, zo lang ze het overleefde, een geschikt afdak tegen onverhoedse plensbuien of hagelbollen nadat ze in de oorlog bescherming had geboden tegen de regen van granaatscherven als de Duitse flaks de geallieerde bommenwerpers, onderweg naar Duitsland om er hun bommen te strooien op open steden, het leven zuur maakten. De kiosk bleef nog een verzamelplaats van kinderen en jonge volwassenen die er speelden en fikfakten, maar in het gezicht van iedereen deden ze niets onzedelijks. En bovenal niet te vergeten de eenmansactie ondernomen door Carolus Klabots zelf, de eerste en enige wereldburger van de streek, zoniet van het hele land. Er zijn zo veel interessante feiten over de kiosk te vertellen maar wie maalde er om, wie had ooit een kroniek gewijd aan het betonnen hart van het dorp?

Hij bleef maar herinneringen opdiepen, de oudste liepen terug tot de woelige dagen toen de Europese mogendheden – toch ras- en stamgenoten, Indogermanen in taal, religie en vooral genen – zich onverbiddelijk begonnen op te maken voor een nieuwe vloedgolf van veel nodeloos vergoten bloed en barbaarse verwoestingen, terwijl van de vorige loopgraventragedie nog lang niet alle invaliden gestorven waren. Hij was acht jaar en besefte dat er vreselijke tijden te wachten stonden, dat zag hij aan het hamstergedrag van de vrouwen, de mobilisatie van alle weerbare mannen met als gevolg dat soldaten uit andere delen van het land met de hier achtergebleven vrouwen het mooi weer kwamen maken. Hij liep in april 1940 met zijn vader mee naar het station waar hij met pak en zak en een foedraal met keukenmessen, de stomme maar moedige daad stelde om op zee te gaan varen en zijn gezin van de grijze armoede te redden. Hij zou zijn vader zo herkennen als hij hem tegenkwam, uit zijn geheugen en gesteund door de foto’s in het familiealbum. Hij herinnerde zich alsof het gisteren was het begin van de oorlog, de luchtgevechten die meer leken op de jacht van gehaaide Duitse jagers op de tamme ganzen van de Belgische luchtmacht, het degelijk Belgische luchtafweergeschut, het zware geschut aan het Albertkanaal, hier te horen als een doffe donder, de eindeloze colonnes vluchtelingen, dat vergat hij nooit zo lang de dementie hem niet onderuit zou halen.

Als in augustus 1940 de rust was weergekeerd, de Duitse Weermachtsoldaten zich gedroegen als heren, het vasteland een tijd verlost van oorlogsgeweld, begon de cinemabaas van achter de kerk Duitse films te spelen, goed gemaakte, aantrekkelijke en bezielende films, alleen de slimsten hadden door dat het propaganda was, dat Goebbels altijd om de hoek stond te gluren als Reise nach Tilsit en Die goldene Stadt over het doek rolden. Weg de decadente Amerikaanse prenten, cowboys met gerekte benen te paard en met armlange colts kaliber twaalf die dwars door de lichamen van de halfnaakte wilde Indianen schoten, de goede cowboy die het elke week opnam tegen een zootje veedieven waarvan de valsheid op hun gezicht en in de deuk van hun zwarte hoed te lezen stond en die zonder verpinken de eerlijke vader van het mooie meisje vermoordden. Demnächst in diesem Theater kregen we verheffende Duitse cultuur. Films van UFA en Tobis die ons de wandaden van de joden en de overwinningen van de Duitse legers lieten meebeleven, met tussendoor de helden van Spanjaard Franco die stand hielden in de tot puin geschoten Alcazar tegen het Godhatende janhagel van de republikeinen. In het weekjournaal mocht de kaart van Europa waarop het zwart van het Reich alsmaar groter werd, niet ontbreken. Wie zou niet aan de kant willen staan hebben van de grootste veroveraar sinds Napoleon, bereid de schoolbanken te verlaten en vrijwilliger te worden bij de Waffen SS om bloed en bodem te behoeden voor het dreigende bolsjewisme. Maar onze ouders waakten en alleen een paar geflipten mochten aansluiten bij de Hitlerjugend. Zelfs Charles kreeg een kortstondige Duitsgezinde opwelling, niet langer dan zes maanden, tot hij hoorde dat zijn vader slachtoffer was geworden van de Duitse oorlogsmachine. Als hij aan die periode dacht voelde hij zich altijd weer een misleid en zielig mannetje.

De Duitsers verjaagd door de geallieerden, niet door ons, en wij met zijn allen op straat om de bevrijders een warm welkom te geven. Voor Charles en zijn zus Esther was dat geen eenvoudige zaak. Aan de ene kant hun vader die zijn leven had gegeven voor het vaderland en aan de andere kant hun moeder, die op aangeven van misschien wel valse getuigenissen, verdacht werd van copulatie met Duitse soldaten, soldaten in het meervoud, en door het volksgerecht op het schavot was gesleept. Er was door strijders van het echte verzet, zij die hun leven op het spel hadden gezet en niets te maken wilden hebben met de beuzelarij op de kiosk, nog getracht Mitte Janssens te sparen, maar de dapperen van na de aftocht van Feldpolizei en Gestapo wilden van geen wijken weten.

Serveuse spelen en bier opdienen in een café waar veel Duitsers vertier maakten was niet noodzakelijk hetzelfde als met die schweinhunde naar bed te gaan en moeder had veel edeler daden gesteld dan met Duitsers te lopen, toch ook maar mensen. We weten dat ze vier jaar lang vlees van de sluikslachterij naar Brussel smokkelde en daarmee iets verdiende om haar kinderen, moeder en broer in leven te houden en van kleding en stooksel te voorzien. Daarvoor diende ze te worden geprezen, niet verdoemd. Er was zoveel omgegaan in het kreupele gezin van Charles. Bij de bevrijding hadden de Britse en Amerikaanse soldaten hun armen maar uit te steken om aan elke hand vijf vrouwen te zien bengelen, niet tot jolijt van hun echtgenoten en verloofden. Ook Mitte Janssens van Miel de zeeman, die een pruik had gekocht in afwachting dat haar eigen haar weer was ingewassen, was van de partij en probeerde links en rechts een vinger of iets meer van een bevrijder in haar greep te krijgen, kwestie van aan chocolade, sinaasappelen, kauwgom, sigaretten en corned beef te komen. Charles naderde dan al de jaren van verstand en was er zich zeer pijnlijk van bewust hoe het met zijn moeder was gesteld. Na de demobilisatie van de Angelsaksers, als het leven langzaam weer werd als vroeger maar nooit meer helemaal hetzelfde zou worden, de verwildering omsloeg in bedaardheid, hield het nog niet op. Haar wulps gedrag in een berucht dorpscafé, want die was er ook te Hellebeek, we willen de naam er niet van noemen omdat ze al lang niet meer bestaat, kon geen daglicht verdragen. Daden als haar bloot spel laten zien en laten bevingeren door getrouwde smeerlappen, zelfs er met een biljartstok in laten koteren, zouden door haar zijn gepleegd, waar of niet maar ze deden in elk geval de ronde, doorverteld door gluiperds die door de gordijnen van de beruchte kroeg hadden geloerd maar waren buitengesloten. Niet te verwonderen dat Charles het een beetje moeilijk had bij zijn groei naar de volwassenheid. Wat zijn zus Esther niet leek te deren, zij teerde op haar aankomende schoonheid, het verleden telde niet voor haar en nog minder voor de vele jongens die naar haar gunsten dongen. Zij was nog te jong voor de vreemde soldaten, dus zij was ongerept en onbesmet gebleven tijdens de bezettingsjaren.

In die allermoeilijkste jaren in het leven van een opgroeiende jongen was hij altijd van zijn moeder blijven houden met een mengsel van liefde, medelijden, afhankelijkheid en opstandigheid hem opgelegd door het vierde gebod van God, hij was toen nog een beetje bij de godsdienstles. Zijn schoolvriendjes die zijn moeder thuis hadden horen belasteren door hun moeder en dat hadden onthouden, lieten niet na hem te sarren en tot in zijn ziel te vernederen met vieze woorden als grote hoer of schandalige slet, slet zijnde een ingevoerd woord waarvan de betekenis hen grotendeels ontging. Als het hem te veel werd ging hij op de vuist voor de eer van zijn moeder, zij die voor hem alles had gedaan wat moeders voor hun jongen doen. Door er op los te kloppen sloeg hij er eentje een blauw oog en kreeg er twee terug, want sterk was hij niet, de opgeschoten magere jongen in zijn vroege tienerjaren.

Zijn zus Esther nam nooit de verdediging op van hun moeder, integendeel, ze schrok er niet voor terug, om toch maar in de smaak te vallen van haar vriendinnen, om dingen te vertellen over haar die Charles altijd had afgestreden en waarvoor hij zich vele keren had laten afrossen met bloedneuzen, gekloven lippen en blauwe ogen als prijs. Het mooiste was dat Esther bij moeder niets kon misdoen, dat Charles de eerstgeborene was telde niet mee, dat was bijbelgezeur. Hij was geboren nog voordat Mitte was getrouwd en had de uitverkorene moeten zijn, maar dat was niet zo, het was zijn zus die het voor het zeggen had. Esther had al vroeg de rol proberen te spelen van vamp of iemand die mannen verslindt, ons door de Amerikaanse film bijgebracht. Ze schoot er gelukkig voor haar niet verder mee op dan een overijld huwelijk met een man die achteraf een goede keuze bleek te zijn. Hoera voor haar en ook voor Charles, ze was uit het huis en hij stond minder onder dwang. Het huwelijk van Esther had moeder veel geld gekost aan uitzet en groot feest, zodat er voor Charles in de eerstvolgende jaren niet veel restte, maar zo ver zijn we nog niet.

Waar zijn moeder het vandaan haalde om zijn zus zo vooruit te steken begreep hij niet. Op school had ze nooit haar best gedaan, ze liep liever met jongens dan haar les te leren en haar huiswerk te maken. Als Charles de leeftijd had bereikt om verder te gaan naar het middelbaar onderwijs, had Esther zich ertegen verzet maar geen gelijk gekregen. De onderwijzer van de gemeenteschool, nog andere mensen en zelfs de onderpastoor waren bij moeder komen pleiten om een verstandige jongen als Charles hoger te laten studeren en ze had toegegeven. Met als gevolg dat de middelmatige, zelfs slechte leerlinge Esther na de meisjesschool ook naar de stad mocht om verder te leren, maar ze bakte er niets van. Die perikelen brachten mee dat na zijn geloofstwijfels ook zijn twijfels in verband met de moederliefde wortel schoten. Hij kon er niet meer zeker van zijn dat Jezus ooit van hem had gehouden zomin als zijn moeder en erger nog, dat hij zelf ooit zijn moeder had bemind. Een loodzware last voor een gevoelige jongen als Charles, maar hij kwam er doorheen, ten koste van de liefde voor zijn moeder. Het is erg om dat te zeggen.

Behalve van zijn moeder houden en voor haar vechten, ondanks het feit dat zij hem achteruit stelde en Esther, die haar zo dikwijls had verraden, haar favoriet bleef, had Charles nog andere heldendaden op zijn palmares. Niemand maakte er nog melding van maar hij was nooit vergeten wat hij had uitgericht. Het opnemen voor zwakkeren vond hij vanzelfsprekend en dat is zo zijn leven lang gebleven. Op een keer was hij in het Broek, het grote bos, op zoek naar konijnen om die uit de strop van de boze wildstroper te bevrijden, toen hij een troepje grote jongens zag die aan de rand van een beek veel plezier leken te beleven. Hij ging een kijkje nemen om te zien wat er te lachen viel en zag dat de ze een egel die aan wal probeerde te klauteren met een stok opnieuw in het water duwden. De lummels konden geen ekster van een merel onderscheiden, maar vanuit hun superstitie wisten ze dat een egel, een primitief, braaf en ongewoon schattig diertje, veel kwaad verrichtte door aan de koeien hun uiers te zuigen. De grootste van de bende had beslist dat de egel eraan moest, ongedierte moet worden uitgeroeid en Charles wist dat hij daarmee ook joden bedoelde, de oorlog was nog niet over. Hij stelde zijn eerste stille heldendaad, viel de jongen aan die de stok hanteerde om het diertje te verzuipen en tierde dat een egel een nuttig dier was, dat slakken opat en ander ongedierte dat zij zelf ook waren. Dat was teveel gezegd en met twee of drie vielen op hem om hem plat te slaan maar hij kermde zo luid dat een boswachter het had gehoord en kwam kijken wat er gaande was. De grote jongens liepen weg en gebaarden dat er niets was gebeurd. De boswachter vond Charles gehurkt te huilen bij het lijkje van de egel die hij niet had kunnen redden.

Het leven van kinderen draait en keert op onvoorspelbare en onverklaarbare wijze. Bij een volgende gelegenheid trok Charles op met grootpraters en stoere jongens die erop uit waren zwakkeren tot hun vijand te verklaren om ze het leven zuur te maken. Op school hadden ze liederen leren zingen met teksten als: ‘Als de vijand grimmig voor ons staat en het uur der Vlaamse zege slaat’. Zoiets. In een stille straat botsten ze op een jongen die jonger was dan zij samen met zijn kleine zus, de kinderen van een gezin met nogal getaande huidskleur en daarom de Bohemers werden genoemd. Als dat geen volksvijanden waren. De voorvechter van het gezelschap liep met zijn schouder tegen de jongen en riep: “Zie je dat mannen, die sukkel geeft mij een duw. Wat doen we met die vreemde luizen? Ze een lesje geven?”

Het meisje, zoals haar broertje omzeggens in lompen gekleed, ging op de grond zitten en omklemde een been van haar broer om bescherming te zoeken. Ze begon luidkeels te huilen. Het kind had zijn knietjes opgetrokken en had geen onderbroekje aan. Dat ontging de lomperds niet, ze wezen er naar en lachten als runderen. Die vernedering, die spotlach was er voor Charles te veel aan en in een golf van allergroot medelijden ging hij voor de twee kinderen staan, zijn armen gekruist en hij riep: “Wie die kinderen iets aandoet heeft met mij te maken.”

Ze lachten hem vierkant uit, de slappeling, de sterkste duwde hem gewoon tegen de grond en gaf hem een trap tegen zijn dij. Maar Charles sprong recht, gaf zijn aanrander onverhoeds een klap in zijn gezicht en ging zo razend tekeer dat de belagers zowaar onder de indruk kwamen en afdropen. Misschien hadden ze alleen het inzicht gehad de kinderen wat te jennen en bang te maken, maar dat veranderde niets aan de zaak dat Charles een daad van moed en zelfopoffering had gesteld die bij sommigen in het geheugen zou blijven hangen. Hij bleef nog even bij de twee en hoorde dat de jongen zijn zusje Arlette noemde en haar troostte zodat ze ophield met huilen terwijl ze Charles bleef aankijken met haar indringende, donkere ogen.

Op een ander voorval willen we speciaal de aandacht vestigen, het speelde zich af op de kiosk met Charles in de hoofdrol. Daar op het verhoog had hij voor het eerst zijn grote bedeesdheid overwonnen, zich aangesteld als een jongeman met ballen, als een voorvechter tegen onrecht, ook al heeft zijn gevecht niet langer geduurd dan twee weken en in eerste instantie niet veel meer opbracht dan een ontmoeting met het gerecht in de persoon van een doorbrave veldwachter. Het was in het begin van de grote vakantie, het jaar zijn we vergeten, dat Charel de moed opbracht zichzelf te overwinnen en zich op de kiosk te installeren als wereldburger, in navolging van de alom bekende Gary Davis in Parijs, waar de kranten over hadden bericht en een weekblad er een reportage met foto’s aan had gewijd. Van een goeie vriend had hij een brits geleend en van een laken een tent gemaakt, niet waterdicht maar onder het dak van de kiosk was dat niet erg.

Zijn wereldburgerschap was vermakelijk voor de meeste bezadigde burgers van het dorp en zij die er heimelijk iets in zagen zwegen liever om zich niet gelijk Charel potsierlijk aan te stellen. Zijn happening, het woord was nog niet in zwang, hield hij tijdens de grote vakantie omdat hij tijdens het schooljaar geen tijd had om zijn idealen uit te dragen. Iemand die op de leeftijd van goed achttien jaar in het centrum van een plattelandsdorp het wereldburgerschap wil propageren en er een stuk van zijn vakantie aan opoffert, moest wel durf hebben of helemaal uit de bol zijn gegaan, van wat? Een beantwoorde of niet beantwoorde liefde? Een hersentumor? Een overmaat hormonen zoals testosteron? Een bezetenheid om anderen te helpen zoals de door hem afgezworen Jezus?

Zijn moeder liet hem begaan, ze had een nieuwe vriend en was in beslag genomen, maar zijn zuster Esther, jonger maar met meer praktisch verstand, een met weinig zusterliefde toebedeelde feeks, geneerde zich in zijn plaats maar wist nog voor hij er mee begon dat zijn liedje niet lang zou duren. Zoals andere jongelieden puisten kregen, worstelde haar broer met idealen waar zij nooit het nut van zou inzien. De Amerikaan Davis had in Parijs in het openbaar zijn paspoort verscheurd en in brand gestoken, maar zo ver is Charles niet willen gaan, dat durfde hij niet.

Met de weinige middelen die hij had probeerde hij de aandacht te trekken. Met zijn beperkt tekentalent had hij op grote bladen tekenpapier slagzinnen aangebracht in half gelukt schoonschrift. Veel belangstelling wekte hij niet, in het begin niet en op het laatste nog minder. De eerste dagen bleven af en toe wat nieuwsgierigen naar hem kijken om zijn teksten te lezen, hem uit te lachen en af en toe eentje om hem aan te moedigen. De trombone die hij in de fanfare bespeelde had hij meegebracht om af en toe de Internationale te doen weerklinken naast het meer bekende en gemakkelijker ‘You Belong to my Heart’. Een jong meisje was niet van de kiosk weg te slaan en bleef hem in vervoering aanstaren. Eerst herkende hij haar niet, dan zag hij dat zij het tot schoonheid opgegroeid klein meisje was voor wie hij een van zijn eerste heldendaden had gepleegd, Arlette was haar naam, dat had hij weten te onthouden. Hij had het voor haar opgenomen tegen zijn matenbullebakken toen hij zelf nog een halfwas bullebak was. Zij was, zoals haar ouders, donkerder van huid dan wij, een Boheemse, de naam die ze van onze niet altijd subtiele gemeenschap had gekregen.

Zijn verheven doel ten spijt bleef de actie van Charles Klabots een eenmansbeweging, die aanvankelijk wat verbazing en ironie opwekte, gevolgd door ergernis. Zijn zuster die door haar vriendinnen werd uitgelachen om wat haar broer in het gezicht van iedereen aan het uitspoken was, was razend maar ze kon hem thuis niet in zijn gezicht krabben want hij sliep in die dagen op de kiosk. Zijn moeder was ontstemd omdat ze hem in de vakantie thuis beter kon gebruiken om de dakgoot en de rolluiken een schilderbeurt te geven. Zijn grootmoeder Vika nam hoofdschuddend kennis van zijn waanzinnig gedrag, maar zei niets. Vrienden die het een beetje zagen zitten, ze waren nog jong, brachten hem eten en drank en bewaakten zijn legerplaats als hij even weg moest voor zijn lichamelijke behoeften. Veel dorpsgenoten wisten niet goed wat er van te denken, maar de kwispel deed niemand kwaad. Reizende passanten vertraagden even om naar hem te kijken, maar bleven niet lang geboeid. De grootste bijval kreeg hij van snotters die hem kwamen vragen hen te helpen met hun vakantiewerk.

Het eenzame meisje bleef hem trouw bekijken. De derde dag liep ze de trap op naar Charles toe en vroeg om lid te mogen worden van zijn beweging, maar bewijzen van lidmaatschap had hij niet, dat was tegen het principe van de Wereldburgerij die elk identiteitsbewijs verwierp. Charles wist niet wat hij van haar moest denken, was dat liefde? Gezelschap kwam niet ongelegen, zijn brits was te smal om er met twee op te slapen, maar dat was ze niet van plan en elke avond ging ze naar huis.

Na twee weken kwam de veldwachter hem beleefd maar met aandrang vragen met die onzin op te houden en zijn boeltje op te ruimen. Het was duidelijk dat zijn wereldburgerschap niet had aangeslagen bij zijn medeburgers, niet eens bij zijn leeftijdgenoten, dat had hij kunnen verwachten. Hij had zich getoond en had indruk gemaakt op ten minste een lid van het vrouwelijke geslacht.

Daarmee hield het niet op. Hij had duidelijk bewezen dat hij van zijn kwalijke verlegenheid was bevrijd en wilde dat voor eens en voor altijd bewijzen. Op een drukke avond in een van de dorpscafés ging het gesprek over angstgevoelens, echt gevaar en ingebeelde angst. De een beweerde dat iedereen altijd bang is voor iets of iemand, ratten spinnen, adders, de duisternis en zijn eigen schaduw en iemand wist dat niemand, maar dan ook niemand om middernacht door het Broek zou durven lopen, een bos van goed twintig hectare. Charles greep de kans en ging voor een krat bier de weddenschap aan dat hij om middernacht gans alleen door het woud zou lopen. Er waren geen wolven of beren, zei hij, daarvoor was het bos te klein maar spoken en struikrovers, daar was niemand zeker van. Arlette die niet zo toevallig in de buurt was, had het gehoord.

Een dag later al sloeg het uur dat Charles zijn dapperheid moest tonen om zijn weddenschap te winnen. Aan de landweg die in het bos verdween stonden de getuigen om hem te zien verdwijnen en aan de andere kant van het bos de getuigen om vast te stellen dat hij het er heelhuids had vanaf gebracht, de weg was kwijtgespeeld of het hazenpad had gekozen. Charles vertrok in de zwarte, maanloze nacht, enkel het schijnsel van de melkweg voorkwam dat hij over elke put of tak struikelde. Helemaal gerust was hij niet, men kon nooit weten wat zich voordeed. Ongeveer halfweg dook plots een gedaante voor hem op. Zijn hart klopte woest. Eerst kon hij niet onderscheiden wat het was, dan zag hij een lichaam, niet van een dier, geen weerwolf, het was een mens, een vrouw, een spiernaakt meisje. Ze riep boe en dan vlakbij herkende hij haar, ze stond daar en kon zich niet inhouden van te lachen, het was Arlette. Ze was ook op haar lichaam niet hagelblank als de andere meisjes van Hellebeek, naar hij vermoedde want hij had ze zo nog niet gezien. Ze was aan de getaande kant en dat maakte haar niet minder aantrekkelijk. Ze stond nu vlak bij hem en hij wist zich geen houding te geven. Ze sloeg haar armen om zijn hals, kuste hem en begon hem met ongeoefende vingers uit te kleden. Daar in het gras deden ze het voor de eerste keer, als een jongen was hij het bos ingelopen, als een man kwam hij weer in het licht van de straatlantaarns. De wedders stonden er nog bijna allemaal, ongerust geworden over het wegblijven van Charles die zijn tijd had genomen, en van de andere kant was geen ijlbode komen melden dat de avonturier bang was teruggelopen. Arlette kwam later uit het bos, als de kliek onderweg was naar de kroeg om het krat bier te verteren. Charles had samen met haar te voorschijn willen komen maar ze zei zelf dat dan de weddenschap zou vervallen. Snuggere meid. Later op de avond kwamen Arlette en nog andere meisjes zien hoe de jongens zich aan het bedrinken waren. Charles danste met haar, gaf haar een kus en zei dat iedereen het kon horen dat ze zijn meisje was, meer hoorden ze niet te weten.

Nu hij een ernstige verkering had, begon Charles zich te onthouden van dwaze stoten en gedroeg zich min of meer als een gewone sterveling.

Elk mensenleven is opgebouwd uit anekdotes, droevige en plezierige, daar is niets mis mee, mislukte of opgegeven idealen, dat is erger. Neem nu het socialisme, een liefde waar Charles mee dweepte en die hij nooit helemaal heeft afgeschud, omdat dienen zijn groot ideaal was en is. Maar hij moest tot zijn spijt en ergernis toezien dat een ideaal wat anders is dan een ideologie en nog heel wat anders dan een politieke doctrine. Daar is geen uitleg bij nodig, we zien het alle dagen voor onze ogen gebeuren. Hij heeft meegedaan aan geldinzamelingen en bedeltochten om de misdeelde medemens in de derde wereld aan drinkbaar water en een zak meel te helpen. Een hopeloze afgewezen liefde had hem bijna zijn middelbare studies gekost, zo diep zat hij in de put, maar hij heeft zich er uit weten te werken zonder zijn vermogen om nog verliefd te worden voorgoed te verliezen. Kortom, hij was een mens onder de mensen, niet sterker maar ook niet zwakker.

Meer dan humaniora zat er voor hem niet in, zijn moeder was er niet zo voor te vinden en ze had geen geld, haar vriend had nog minder geld en Esther, intussen in vliegende vaart getrouwd en tegen haar zin veel te jong moeder geworden, kwam haar veto stellen. Zij had ook niet verder gestudeerd en Charles mocht haar niet te boven gaan.

Enkele maanden na zijn schooltijd kreeg hij zijn marsbevel om in het leger te gaan. Hij deed zijn 21 maanden bij een elitebataljon infanteristen in Duitsland. Hij was commando willen worden, was er bijna maar niet helemaal goed genoeg voor bevonden en van zijn opleiding tot sluipschutter, straatvechter, messenvechter en valschermspringer, nodig om voor de revolutie te strijden, was niets in huis gekomen. Toen hij afzwaaide stond Arlette hem in het station op te wachten om hem op te vangen en hem naar huis te brengen. Al een geluk want hij was strontzat en kon zich nauwelijks overeind houden. Hij was zo zat dat het hem ontving dat zijn moeder niet zo erg was opgezet met het hulpbetoon van Arlette, die vertrok van het moment dat Charles in bed lag en zijn roes begon uit te slapen.

Na zijn legerdienst moest Charles, zoals zowat elke jongeman in zijn positie, uitkijken naar een baan. In Mechelen kreeg hij het postje van klerk bij het Zaken- en deurwaarderskantoor van Manuel Ucier, niets groots maar hij had nooit de ambitie gehad bedrijfsleider te worden. Bovendien deed hij zijn werk zo goed dat de baas hem tot opsteller bevorderde met een salaris navenant. Legerdienst achter de rug, een baan, een meisje, het was tijd om aan trouwen te denken. Hij kwam er bij zijn moeder mee voor de dag. Geheel in de aard van haar karakter zei die niet meteen ja, dat moest ze met Esther bespreken. Charles vatte niet waar die bespreking goed voor was, maar wilde geen onenigheid met zijn moeder.

De familievergadering kwam er, want als Esther iets in haar horens kreeg moest ze haar zin krijgen. Arlette zat naast Charles op de bank mee te luisteren naar wat Esther te verkondigen had. Het ging om geld, haar afgod, om wat anders zou het gaan. Zus vond dat hij, door het feit dat hij langer had mogen studeren dan zij, nog enkele jaren voor thuis zou moeten werken om moeder er weer bovenop te helpen. Haar trouwfeest en uitzet hadden veel geld gekost en door haar tegenslagen had zij moeder niet kunnen helpen. Die plicht viel nu op Charles, die het in Keulen hoorde donderen. En wij staan op een nieuwe auto, voegde Mitte zijn moeder eraan toe, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. Charles wist dat Oktaaf Coestaart haar vaste vriend daar achter zat, een kerel die meer kostte dan hij waard was. Bovendien zei ze, wegkijkend van Arlette en Charles strak aankijkend, “waar haal je het uit om met dat bruine schepsel te trouwen, dat is andere soort.”

Toen is Charles opgestaan, hij werd eerst wit dan donkerrood, niet van woede maar van razernij en met verstikte stem bracht hij eruit: “Ze is mijn verloofde, Mitte, ze komt niet uit Afrika, niet uit Duitsland en ze heeft met niemand anders gelopen gelijk jij, als het geen Duitser was, was het een Amerikaan en nu zit je met een profiteur die de eieren die je voor hem in de pan klopt niet waard is. Jij was een hoer, Mitte, een slet van eerste rang. Mij zie je van ze leven niet meer.” Wat hij zei was de waarheid, niets dan de harde waarheid, meer moest niet worden gezegd. Hij stond op, trok Arlette mee en ging weg zonder om te kijken. Dat was bijna dertig jaar geleden en sindsdien heeft hij met moeder geen woord meer gesproken, haar niet laten weten dat er kinderen kwamen. Hij was met Arlette naar Mechelen getrokken, hij voelde zich daar thuis en had er werk.

In zijn auto kwam Charles weer tot zichzelf. Hij keek op zijn horloge maar wist niet hoe lang hij daar gezeten had, op de parking van de weggeslagen kiosk. Tien minuten, een kwartier, het maakte niet uit. Hij nam een besluit, startte de motor en reed Mitte achterna, haalde haar in, stopte op haar hoogte en gooide zijn portier open. Ze liep te huilen, snikkend en herkende hem eerst niet.

“Ach Charles,” zei ze dan, “Esther heeft mij aan de deur gezet, ik mag alleen nog komen als ze mij opbelt, maar dat doet ze niet. Ik zit daar zo alleen, ik zou ze graag ergens bij komen inwonen.”
“Dat moet ik eerst aan Arlette vragen,” zei Carolus.






Geen opmerkingen: