vrijdag 21 juli 2017

37 DE GROTE OMMEZWAAI

DE GROTE OMMEZWAAI 

Ik mag mezelf een vader van de Grote Ommezwaai noemen want ik heb mee de hefboom overgehaald die de mensheid uit de barbaarse tijd van oorlogen, mensonterend geweld, onstuitbaar godsdienstfanatisme, ongelijkheid, bittere armoede, honger en totale uitholling van de natuur heeft opgetild naar tijden van voldoende eten, drank en vermaak voor iedereen, onbaatzuchtige geneeskunde en dienstbetoon, rassengelijkheid en welstand, ook voor de schuchtere, de slechtst bedeelde en de lelijkaard. Wij volbrachten het wonder met mensenhanden en staan erop dat onze daden in latere eeuwen niet als het werk van god worden neergeschreven in een Heilig Schrift, die in het verleden alleen maar voor kwalijke toestanden hebben gezorgd. Daar zal het Wereldgeweten over waken.

Een sombere gedachte drong zich aan mij op. Ik stond op van mijn ligstoel, ging binnen een schijf in de speler stoppen, de jaargetijden van Joseph Haydn, en schonk me een borrel perenbrandewijn in om de somberheid weg te drukken. Sterke drank redde me vaak van dwanggedachten en neerslachtigheid die mij overvielen telkens als ik me aan het herlezen en herschrijven zette van het relaas van de Grote Ommezwaai. Plots overrompelde me weer dat heimwee, dat grote verlangen naar mijn Vlaanderen. Er waren berichten dat mijn volk zijn verdraagzaamheid had weergevonden, dat rivieren en beken weer gezond waren, dat hun helder water krioelde van stekelbaarsjes, echels, kokerjuffers, watertorren, schrijvertjes, dikkoppen, salamanders, rivierkreeftjes, vissen, eenden, reigers en aalscholvers. Het groen was er altijd veel malser en intenser dan het vale en droge geelgroen van hier. De grauwe hemelen verbrandden de ogen niet, zoals de helwitte zon die hier zo groot is als de hele hemel en die men niet in het gezicht mag aanschouwen. In de herfst in de motregen huilden de bomen thuis stille tranen om hun verloren bladeren, de schaduwen groeiden en krompen er met de jaargetijden. Dat en zoveel meer miste ik hier in de Sahara.

Een flinke slok voorkwam een opkomende kortademigheid en hartkloppingen, zo lang ik het daar mee kon redden was het goed. Ik was blij dat ik te oud was voor nachtmerries maar vreesde de slapeloosheid die de derde leeftijd zo kan teisteren. Mijn rechterbuur de Toeareg zei dat het de Djinns waren die mij bezochten, die woonden hier nog onder de grond en gingen nooit weg zelfs als het vol huizen was gebouwd. Mijn linkerbuur de Hindoe hield het bij de zielsverhuizing, de ziel die zich een vroeger leven herinnerde, van hond of paria, die altijd in tekorten en op vuilnisbelten had geleefd en zich niet kon aanpassen aan het goede leven van de nieuwe tijd. Hij zelf had daar geen last van, hij was gezegend met de ziel van een brahmaan.

Maar de oorzaak van mijn kwaal lag bij de overbuur, de Oezbeekse bouwvakker, zoals zijn stambroeders meester in het optrekken van bungalows uit afbraakmateriaal. Hij kwam bij mij ontbijten en praten, bracht geitenkaas met suiker en gesmolten boter mee, cognac, groene thee en wodka. Na een bierglas wodka was hij van oordeel dat vriendschap boven alles ging en dat mensen niet zo dom zijn als het erom gaat dat ze het beter krijgen. De Oezbeek had de overwinning behaald in de oorlog van tienduizend jaar tussen de mens en de Hongersteppe, waar de Oezbeek nu in plaats van twee soorten vijgen er tweeënveertig had. Hij had Iris mee opgebouwd en was vertrokken naar de bouwplaats Aquarius, de tweede stad in het diepst van de meest droge woestijn ter wereld. Dat was goed, maar hij had Rosemarie, mijn bijzit meegenomen. Ze was ontevreden omdat ik haar minder dan een keer per drie dagen besteeg. Dat was voor mij meer dan ik nog aankon, maar een man helemaal zonder seks zetten was niet eerlijk en de oversekste Oezbeek had al twee bijzitten die hij beiden meenam zonder mij een afleggertje te laten.

Het boerenkoor van Haydn zong dat de lieftallige lente in aantocht was, Komm, holder Lenz. Een lente die er in Vlaanderen heel verschillend uitzag dan in deze op woestijnzand gebouwde wereld. De achthonderd vierkante meter van mijn tuin waren van de andere panden gescheiden door een scherm van bamboeriet en bloemenheesters. Het groen was nors, dor en olijfachtig, maar bloemen, vogels en vlinders hadden de meest onwaarschijnlijke kleuren en vormen. Een dadelpalm wierp zijn schaduw op het gras van het gazon, een harde, vaalgroene soort. Het stond tien centimeter hoog, tijd om het te maaien. Het gras was voor de vleesfabriek, waar het met bieten, rapen en graan in roestvrijstalen vaten met toevoeging van chromosomen en enzymen werd omgezet in sappig, smakelijk vlees, met weinig vet en geen pezen, volstrekt aanvaardbaar voor vegetariërs. In het midden van het grasperk stulpte de bevloeiingsbeek uit tot een vijvertje met rode visjes, die vaak het bezoek kregen van de purperreiger. In de hoek aan de kant van de Toeareg lag een holle, plastic kopie van een abstracte moederfiguur van Henry Moore. Dat was mijn compostvat, dat alle verteerbaar afval tot zich nam en tot compost verteerde, voor de landbouwgronden.

Ik las luid de openingsalinea van mijn relaas Het Boek van de Grote Ommezwaai voor aan mezelf: “Een kwart eeuw anarchie volstonden om de aarde opnieuw te doen bloeien als in het Pleistoceen. In de Sahara, waar vroeger niets was dan de droogte, het fluisteren van het zand en het huilen van de woestijnwind, hebben wij het tropische paradijs herschapen. Er groeien palmbomen en loofwouden, varens, appelbomen, citrusboomgaarden, groentetuinen, bloemenvelden, in de schaduw wonen mensen en dieren en vloeien beken en rivieren. Wij wisten niet hoe de wereld er twintig jaar later zou uitzien, maar er moest iets goeds voortkomen uit onze beginselen: wereldburgerschap, allemansrecht op lucht, water en aarde, gezagloze en winstbejagvrije samenleving, totale ontwapening, vertroetelen van de natuur als een eigen kind, Oost en West, Noord en Zuid samen één volk, zoals het tweehonderdduizend jaar geleden in Afrika begonnen was voor de trek begon van de eerste, echte mensen. De akkers verlost van landbouwtractoren en weer betreden door Brabantse trekpaarden, kunstmest beperkt tot de ecologische noodzaak, sproeisels verboden, geen smeerpijpen en stadsriolen meer naar de zee, geen oorlogen meer voor olievelden, geen revoluties voor fanatieke waanbeelden, zonder werk zitten geen plaag maar een zegen. Er is helder water, gezonde lucht, eten en ontspanning voor iedereen.

Een vergrijsde Trotskist die zijn leven lang op de barricades had gestaan, had tenslotte de ijver gevonden om een boek te schrijven en de liefde, de goedheid, de edelmoedigheid en de zelfverloochening te verwoorden van de helden die de aarde hebben gered van een troosteloos einde. Was stijl de enige maatstaf om een boek bij de meesterwerken of de rommel in te delen? Wat konden metaforen, verwijzingen, citaten, transformaties, symbolen, spiegels, dubbele bodems en intertekstualiteit nog toevoegen aan de gestalte van een reus onder de mensen? Ontroert het onopgesmukte levensverhaal van pater Damiaan die de dood inging voor zijn melaatse medemens, niet zonder meer? Was twintig jaar ontbering in de gloeiende woestijn om Iris te winnen op de meest barre streek van de wereld, waar het laatste water eeuwen geleden was opgedroogd of diep in de grond weggekropen, waar geen plantengroei meer mogelijk was en alleen wat klein en giftig ongedierte onder gloeiend zand of stenen in leven bleef op een dieet van lucht en koolstof, waar de zee, de bewoonde wereld en de landbouwgronden tweeduizend kilometer ver af lagen, geen epos om de sagendichter in vuur en vlam te zetten?

Mijn vriend Wannes de kakelbonte papegaai, liet zich krijsend op de palmboom vallen. Zingen in de toon zou hij nooit leren, fluiten kon hij, op een dag zou hij leren praten, het zat eraan te komen, om nootjes, koekjes en stukjes appel te bedelen of te eisen. Hij klauterde naar de grond, sprong fladderend over het vijvertje en stapte op mij toe. Hij floot met de muziek mee, liet zijn kopje aaien, sprong op het tafeltje en pikte een aardnoot uit de schaal.

De bel ging. Ik riep ja, de deur was altijd open. In de nieuwe samenleving is een slot een belediging, immoreel, een deurbel is er om zich kies te melden. Het was de Toeareg van naast de deur. Hij of de Hindoe kwamen altijd wat te kort, thee of suiker, altijd wat. De Oezbeek was anders, die bracht wodka, maar roofde mijn Rosemarie. De jonge Toeareg, zonder sluier, had niet meer het beeld van de wereld dat zijn vader had: de Sahara was overal en wie het over zijn welig grasland en eeuwige bossen had, liep te liegen, want die bestonden niet. Deze had de tijd niet gekend dat water van heel ver met ezels werd aangebracht en dat de wadi, waar nu water flonkerde, een uitgedroogde rivierbedding was, nu gevoed door de manshoge pijp, komende uit de Atlas, gemaakt van afgedankt oorlogsmateriaal en aanvullend gevoed door beekjes die hun water krijgen uit de bronnen die weer begonnen op te borrelen op hun oude plaatsen en hun weg naar de wadi hadden teruggevonden, nadat het hier, door toedoen van ons, tien jaar geleden weer is begonnen te regenen. We hadden zo lang water aangevoerd, de grond vochtig gehouden en jonge planten gepoot tot de wolken, aangetrokken door de natte bodem, tot hier geraakten en gelijk een regenboog meebrachten. Zo was het Afrikaanse paradijs tot wedergeboorte gekomen, Afrika, waar de mens was ontstaan uit warme lucht, water, mineralen, tweeslachtige kruipdieren, vogels, spookdiertjes, halfapen en australopytheken. Nu was de pijp van hier tweeduizend kilometer verder doorgetrokken, waar een tweede Iris uit het niets te voorschijn zou komen. Daar was de Oezbeek heen, met Rosemarie in zijn bagage.

“Thee zeker,” vroeg ik in het Frans, dat hier en daar in het gebied was blijven haperen. Hij knikte. Zijn thee was weer op, hij zoop thee als een zeef. Alle Toearegs dronken thee in grote hoeveelheden. Bier of sterke drank was ze als moslims verboden maar de godsdienstvoorschriften begonnen hun invloed te verliezen sinds ze geen kracht van wet meer hadden. Ze vonden dat ze zelf ook wat te zeggen wilden hebben in het bestier van hun leven, buiten dat stoffige, naargeestige geloofsboek om. Hun nomadenbestaan in de steeds verder teruggedrongen woestijn hadden velen geruild voor een leven van rondtrekkend profsporter. Hun krijgshaftigheid leefden ze uit in de vele sporten die nu werden beoefend, in plaats van oorlog te voeren. Andere stamgenoten gaven de voorkeur aan een rustig leven in een stenen huis aan een dorpsstraat, type Europa, met een kruidenier op de hoek en theehuizen rond de kleine moskee. In hun lederen tenten in de verder afgelegen zandvlakten woonden alleen nog kluizenaars die boete deden voor de zonden van degenen die hun kinderen niet meer lieten besnijden en koffie en bier dronken. De buur verfoeide sport, was eenvoudig arbeider in de robottenfabriek en was heel gelukkig met zijn vrouw, een zwart meisje, afstammelinge van hun vroegere slaven, wat hij niet eens meer besefte.

Ik ging in mijn deur staan. Naast het paadje van de voordeur naar de straat, stonden de aronskelken in bloei, druk bezocht door dikke kevers, vliegen en vlinders. Een grote, blauwe vlinder ging een schijngevecht aan met een roze soortgenoot en verdween in de tuin van de andere buur, de Hindoe. Die had van zijn tuin een bessenplantage gemaakt, wijnstokken, rode bessen, frambozen. Hij was in zijn tuin en kwam met zijn hoofd en twee koperen cimbalen boven de heesters uit. Met door merg en been snijdend gekletter verjoeg hij de mussen en andere snoepers, wat hij als Hindoe beter zou laten om de zielen die nog voor hun verhuizing stonden niet al te onrustig te maken. Een echtpaar Bantoe’s met een kinderwagen voerde een gesprek met een echtpaar Berbers in de nieuwe taal, het Iriscreools, die in de Sahara was ontstaan, een mengsel van oude inlandse talen dat het Arabisch, Frans, Engels, Spaans, Portugees en Nederlands van de vroegere verdrukkers, vervangen had. De Toeareg kreeg de thee en vertrok.

Ik woonde in de Thermidorstraat, in de buitenste cirkel van de Bakoeninsector, overtrokken namen, maar er was sprake van ze te veranderen, na een referendum, in bloemennamen of namen van zachtmoedige helden en uitvinders van natuurvriendelijke snufjes, zoals Johannes XXIII en Poubelle.

Ik liep weer binnen, het was tijd voor mijn sportavond en een uitstap naar de centrale pleinen. Even met het slijpschijfje over mijn grijze stoppelbaard, mijn reet en mijn geslacht wassen met reukzeep, een proper wit hemd en witte broek, witte pet en wit jasje over de arm, tegen de avondkoelte straks. Ik deed de deuren en ramen dicht om insecten, spinnen en duizendpoten buiten te houden, dieven waren er niet meer sinds iedereen, ook de werkschuwe, zijn deel standaarden kreeg van de opbrengsten van industrie en landbouw. (Zie toelichting op het einde van het verhaal)

Ik wandelde tot bij de ijzeren brug over de wadi, de bevloeiingsrivier die daar de stad verliet en de richting nam van het oneindige reservaat, dat zich uitstrekte tot voorbij de imposante bergketen met sneeuwtoppen die van het hoogste punt in de stad te zien waren. Aan de voet van de keten golfden heuvels tot de rand van de stad, een afschrikwekkend woest gebied, kale rotsen en dorre puinhopen van steengruis zo oud als de aarde zelf, tot de Ommekeermens met de beregening begon om er een wildpark van te maken. Voor landbouw was de grond ongeschikt, onvruchtbaar als het maanoppervlak, maar nu groeiden er acacia’s die hun witte bloemen als sneeuw uitstrooiden, metershoge wolfsmelk als kandelabers, reuzencactussen, boomachtig kruiskruid, agaven, varens en lang, hard gras.

Ik bleef een tijdje op de brug naar het klaterende water kijken en liep dan naar de overkant, daar waar de vier meter hoge omheining van pinkdik kippengaas een bocht maakte. Het hekken was aangebracht om de gevaarlijke dieren uit de stad te houden en de mensen te weren uit het dierendomein. Het reikte meer dan driehonderd kilometer ver in de richting van de bergketen. Hier vlak bij de stad zag het reservaat eruit als een savanneboomgaard, kort afgegraasd gras onder de bomen met papaja’s, passievruchten, sinaasappelen en bananen.

Bij het kippengaas stonden twintig, dertig mensen bijeen te lachen en te gillen. Een gorillafamilie was op bezoek, een reusachtige zilverrug, slecht geluimd als altijd zag hij er woest en onbeschaafd uit, maar dat was een kortzichtige misvatting, de gorilla stond daar om het gedrag van de nieuwe mens gade te slaan. Als gezinshoofd liet hij de argeloosheid over aan zijn twee vrouwen en vijf kinderen. Een van de vrouwen droeg een tros bananen, scheurde er een banaan af en stak hem door de draad naar een lachend zwart jongetje.

Aan de halte bij het hekken nam ik de elektrische pendelbus naar het centrum. Nog meer mensen stonden te wachten, een hydrogeentaxi bracht nog vier busreizigers. Ik was de enige Europeaan, maar na twintig jaar tropenzon was er niet veel verschil meer met Palestijnen, Israëli’s, Noord-Afrikanen en Vlamingen.

De bungalowzone maakte plaats voor straten met gesloten bebouwing, we reden tussen huizen van twee en meer verdiepingen, dan woonblokken tien hoog. De bus stopte aan de Natzweilerterminus aan de rand van de verkeersvrije centrale pleinen. Helemaal in het midden lag het Roosstadion met zijn honderdduizend zitplaatsen, die al weken vooruit waren geboekt. Sport was nog meer dan vroeger populair, sport was weer een spel geworden, beoefend door sportlui die sport als hun taak hadden gekozen om hun standaarden te verdienen, overwinningen brachten hen geen duit meer op, het ging om de eer en het behoud van hun plaats in de ploeg. Strijden was hun reden van bestaan, zegevieren onder opzwepend gebrul en ontroerend gejuich van een stampvol stadion, de oorspronkelijke bestaansreden van sport.

In het avondlijke duister baadde het Roosstadion in een zee van kunstlicht. De hemel stak pikzwart af tegen de witte muren van het niet-overdekte stadion en de kleurenkakofonie van de zijden supporterstruitjes. De honderdduizend zingende en hossende kijkers, gekomen uit alle hoeken van de wereld, maakten in het licht van de schijnwerpers een overweldigende en gevaarlijke indruk. Van mijn plaats, een stevig in de vloer verschroefde zitschelp van slagvast plastic, overschouwde ik de arena. Dit was wat de repressieve tolerantie betekende voor de staatsmenners in het voorbije tijdvak, de drukklep om spanningen te regelen, het volk koest te houden en hun heerschappij te bestendigen, zoals de keizers van het oude Rome. Wat goed was voor de Romeinen was goed voor de mens van nu, kijksport als catharsis, als uiting van de menselijke natuur om steeds, lichamelijk en geestelijk, in competitie te treden. De zevenslag, een variant op Spel zonder grenzen was sportief een grote meevaller, de uren vlogen voorbij. Ik verliet het stadion onder de indruk van het ongelooflijke enthousiasme en gelukzaligheid van het publiek.

De rumoerige, gezellige stadspleinen sidderden van verwachting. Ik had de hele nacht voor mij en wandelde op mijn gemak over het godsdienstplein. Ik bewaarde de stilte omdat ik vond dat ik andermans geloof diende te respecteren, zonder zelf gelovig te zijn. Er zweefde een gemoedelijke, huiselijke ambiance over het plein, gezoem, gezang, geratel, gerinkel en gegong alom, rook van brandende, geurige harsen en houtsoorten. De kleine minaret was ingedommeld, de moëdzzin was al slapen. Een negerin poetste met een wollen doek een koperen schijf van de eredienst der zonaanbidders. Moslims en christenen hadden niet meer het recht haar zonnecultus te verbieden of te vervolgen. Op de bidbank voor het beeld van Boeddha zaten twee Tibetanen hun gebedstrommels te zwaaien. Bij de pas geverfde totempaal stond een schaal exotische vruchten. Geiten, lammeren en andere dieren eindigden niet meer op het offeraltaar, offerrituelen waren uit de tijd. Wat hadden de rituelen ooit betekend? Bloemen neerleggen, kaarsen branden, een brok brood doorspoelen en mompelen heer dit is uw lichaam? Het was altijd iets of iemand die moesten geofferd worden, komedie, het ware offeren was met vreugde of tegenzin jaren van je leven geven of de dood ingaan. Toch was het spontane verlangen van deze mensen naar religie voor hem geen bewijs van het godsbestaan, dan zou het spontane verlangen naar macht en bezit het bewijs moeten zijn van het bestaan van een galerij van goden, die van oorlog tot die van commercie en vrije liefde. Ik zou wat minder moeten denken maar kon het niet laten.

Hoge, goed onderhouden hagen scheidden de godsdiensten op natuurvriendelijke wijze. Op dit plein liepen overdag de pelikanen, ibissen en maraboe’s te bedelen voor een hapje, die heerschappen gingen voor niemand uit de weg en trokken aan de jassen en de handtassen, het waren de zakkenrollers van deze tijd.

Het liefst liep ik over het plein van de waardige spellen, waar het vermaak- en vertierplein op aansloot. De spelborden waren in de vloer ingelegd met gekleurde of zwart-witte tegels en er omheen stonden vijf tot tien rijen banken, schuin oplopend. Meestal zaten daar de aandachtige kenners die liever toekeken dan zelf te spelen. Er waren de klassieke borden, schaak, dammen, back-gammon, jockey, domino en de modespellen stratego, monopoly, nog andere. Het mooiste was pentatracus, een zeer oud spel, jaren geleden ontdekt in een Perzisch graf. Vier sets stukken in de kleuren rood, geel, blauw en groen. Ik kon uren op het spel zitten kijken, meedoen was uitgesloten, ik moest te lang nadenken bij iedere zet.

Het restaurant van ‘Dikke Moe’ lag aan de zedige kant van het vermaak- en vertierplein. In een hoek achter een tafeltje vroeg ik een portie frikadellen met gestoofde krieken en een halve liter donker bier. Moe had een paar minuten en kwam een gat zitten. Ik sprak van mijn verlangen om Vlaanderen weer te zien, de rivieren stonken er niet meer.
“En het racisme,” zei ze, “stinkt dat niet meer?”

Ik had veel begrip voor het misprijzen van Dikke Moe voor haar geboorteland. In haar jeugd trouwde ze met een Marokkaan en haar familie en vriendenkring stootten haar uit. Ze kreeg twee kinderen, op school eerst een bezienswaardigheid, later pestschapen. Toen de Grote Ommezwaai uitbrak was ze er van de eersten bij om naar de bouwplaats van Iris te trekken, hier dus. Haar man was een buizenfitter, die laste vijf jaar lang aan de grote pijp van het Atlasgebergte tot hier. Hij kreeg een dodelijk ongeluk maar zij bleef in Afrika. Nu waren de kinderen groot, hadden leren lassen en werkten aan de pijp richting Iris II.

Ik haalde mijn Larakaart uit mijn portefeuille, een magnetische kaart van onverwoestbaar plastic die heel mijn hebben en houden, mijn vertier, mijn maandsaldo en mijn verblijfplaats bijhield. Af en toe toetste ik met behulp van mijn kaart en met handoplegging op een gewetensterminal mijn stem in het Wereldgeweten, en besliste mee of alles naar de zin van het Wereldgeweten van de Grote Ommezwaai verliep. Het Wereldgeweten was het elektronische brein dat het ontstekingsmechanisme van de Moeder van alle kernbommen beheerste, de ijker van de rechtvaardigheid, een wreed maar rechtvaardig geweten. Door de handoplegging kon niemand het mechanisme van de leugendetector misleiden, als teveel bedriegers en misbruikers het Wereldgeweten zouden trachten te misleiden, zou de terminale kernontploffing volgen en bestond de aarde niet meer. Wij, de rechtvaardigen hadden ons leven in pand gegeven om een wereldorde zo eenvoudig en doeltreffend als iemand ooit had durven dromen in stand te houden.

Het was nog warm genoeg om licht of bijna niet gekleed te lopen. Ik zakte af naar de zedeloze kant van het vermaakplein, een wirwar van pleintjes en straatjes. Er was veel volk op de pleinen en in de straten, veel vrouwen die hadden aanvaard dat in elke man tussen de zestien en de tweeënzeventig jaar een geilaard schuilging en precies daarvoor de straat opgingen. Ik liep voorbij de Burleske, een theater met continu live neukshows, met de beste artiesten ter wereld, met de omvangrijkste penissen, de grootste tepels en de sappigste gleuven. Dat was niet meer aan mij besteed, in mijn jeugd volstond een kalender met blote tieten om in de bak te vliegen. Ik kwam bij het Groot Vermaak en liep door het kralensnoer dat de insecten buiten en de avondkoelte binnen hield.

Ik ging zitten in de box waar ik Rosemarie had opgescharreld. Jaren geleden was ik naar de woestijn gekomen om te vergeten en te leven als een eenzame zonderling. Rosemarie was dienster en met mijn overschot aan standaarden bood ik haar champagne aan. Rosemarie stelde zich voor: “Ik dien hier parttime vadertje, als ik ritsig ben kom ik opdienen. Ik word zoveel niet meer gevraagd en dan nog meest door viezeriken die in mijn reet willen zitten. Maar daar begin ik niet mee, ze zal zo al rap genoeg versleten zijn.”

Ze was een straathoer geweest. Haar taal, vijfentwintig jaar geleden cru, was nu weer zo gewoon als in de tijd van Mozart. Ze had de smerige tijd gekend van de pooiers, die haar lieten dienen als matras voor elke heetzak die geld had, ze was er om geld op te brengen als een batterijkip, een blanke slavin in de handen van gewetenloze souteneurs in de tijd van de liberale leuzen. Ze was in het leven terechtgekomen nadat een deftige schoft, afgezakt uit de stad naar de dorpskermis, haar met een middel zo onbedwingbaar geil had gemaakt dat ze zich liet schofferen en jaren lang door de goot kroop voor een gram van dat goedje. Ze stond daar voor mij in een wolk van ophitsend parfum en in mouwloze jurk, haar okselhaar was nat en ze droeg een décolleté die haar navel liet zien. Ze ging naast mij zitten, deed mijn gulp open en voelde. “Dat is nog redelijk,” zei ze, “ik trek bij je in, je zult er geen spijt van hebben.” Later in de bungalow lag ze op mij nog voordat ik mijn pet aan de kapstok kon hangen en ze schonk mij een orgasme als in mijn voortijds dromen, toen ik nog ontwaakte met een erectie om een emmer water aan te hangen. Maar nu was ze weg.

Ik vroeg om een glas schuimwijn. De dienster van de avond was nog koeler dan de drank. In de volgende box zaten twee bejaarde dames over mij te praten, dat lieten ze duidelijk blijken. Ik glimlachte, met oude wijven was wat te beleven, die dachten altijd dat het hun laatste beurt werd. Maar een bende van twintig Mokumsupporters van de zevenkamp vielen het lokaal binnen, verdrongen zich rond de twee dames en eisten ze op met Hollandse aandrang, in een wereld van allemansbezit.

Een beetje in mijn wiek geschoten reed ik met de pendelbus naar huis. Ik liep het laatste stuk te voet. In de meeste bungalows was het licht gedoofd, er was nog schijnsel in de tuin van de blonde Zweedse, achter de heesters. Ik hoorde stemmen, lachen, muziek, een avondfeestje was aan de gang. Ik kende die feestjes, met zijn allen naakt omheen haar kleine zwemvijver. Met Rosemarie had ik daar vele tropische nachten doorgebracht. Het was altijd een gezellige boel en Rosemarie was altijd de eerste om zich uit te kleden. Ik dacht er even aan binnen te wippen, maar deed het niet. Ik keek naar de sterren, de hemel, waar was de hogere macht die orde bracht in het heelal? De nacht was weldadig, aangrijpend stil. Ik kon de olifant horen die kilometers daar vandaan een nachtelijke trompet opstak. Het was een gelukkige olifant, ik had geleerd de geluiden van de natuur te onderscheiden.

Er was iemand in mijn huis, er brandde licht. De oerangst dat het dieven waren sloeg om mijn hart, maar ging gauw over. In de veranda zat een jonge vrouw mijn aantekeningen te lezen, een onbekende die ik op vijfentwintig jaar schatte. Ze zat in witte jurk op de veranda en had zichzelf een drankje ingeschonken. Ze draaide zich om toen ze mij hoorde. Ik had dat gezicht nog gezien.

“Pieter Quisquater,” vroeg ze.
“Waar ken ik je van,” stotterde ik, “en hoe ken jij mij?”
“Dat kom je nog te weten. Ik ben hier om je mee te vragen voor de lange reis naar huis. Jij hebt Lara Christiaens gekend?”
“Heel goed,” zei ik. “Heb je mijn tekst gelezen?”
“Ja,” zei ze, “ik ken het verhaal. Ik ben geschiedschrijfster, ik schrijf het verhaal van de Beweging en de Grote Ommezwaai. Mijn naam is Irene. Ik ben gekomen om je mee te nemen naar mijn, ons vaderland, om je met eigen ogen te laten vaststellen wat de Beweging in dat apenland heeft tot stand gebracht. Krijg ik dit mee (ze wees op mijn geschriften) om te vergelijken met wat ik al heb opgetekend? Jij was getuige, ik moest nog geboren worden.”

Ik besliste meteen, ik verlangde er al zo lang naar mijn Vlaanderen weer te zien, zijn weiden als wiegende zeeën, welige velden en wouden en vulde een koffer met wat reisgoed. Het ging snel, in geen tijd stond de beltaxi die ik had opgeroepen voor de deur. Die bracht ons naar het station aan de andere kant van de stad. Het was een keurige maar geen wondermooie stad, te jong en niet organisch gegroeid, een open stad voor voetgangers en fietsers, met modewinkels, buurtcafé’s, kruidenierszaken, edelsmeden, warme bakkers, al het goede, maar nog geen voedingsbodems voor levensechte romans, een kunstvorm die destijds het bestaan draaglijk maakte.

Buiten de stad reden we langs de Kolos van Iris, de watertoren, het eerste grote bouwwerk van de woestijnstad, de slagader van de hele grote omgeving. Voorbij de toren begon de industriezone. Een gebouw zo groot als het colosseum, gebouwd uit een nieuwe, onverwoestbare materie met woestijnzand als basisgrondstof, was de chemische fabriek. Ze had de vorm van een stapel pannenkoeken. Geen vensters, geen schoorstenen. De rook, de gassen en het afval werden in de buik van het gebouw verwerkt tot bijproducten. Robots, uitsluitend robots, deden tot op een tienduizendste van een millimeter nauwkeurig de bewegingen na van de beste vaklui. Ze deden het monotone, uitputtende en ongezonde werk, zonder nood aan verse lucht. Het maken en verbeteren van robots was een uitdaging op zich, die voor de makers meer de moeite waard was dan salarisverhoging voor smerig werk.

Voorbij de chemische fabriek lag het gebouw van de energiecentrale. Het was een toepassing van een natuurverschijnsel dat al in 1901 uit Roemenië was gerapporteerd, namelijk dat warm water meer zout opslorpt dan koud water, zwaarder wordt, naar de bodem zakt en temperatuurverschillen van 60 graden doet ontstaan. Met warmtepompen wordt de energie zo geconcentreerd dat stoom kan worden opgewekt voor de stroomturbines. Stalen vliegwielen van veertig meter hoog zorgen voor de opslag van de energie, indrukwekkend om zien. Achter de centrale lag de zonnevijver van vijf kilometer lang en duizend meter breed, die ving de zonnewarmte op en leverde ze af aan de centrale.

Buiten de industriezone begon de land- en tuinbouwgordel. Op de toppen van de zandduinen lag een zware, versterkte plasticfolie om de verstuiving tegen te gaan, in afwachting dat struiken en bomen groot genoeg waren geworden en stevige wortels hadden om de grond te verankeren. In de dalen en op de flanken groeiden vruchten van over de hele wereld, in alle soorten en varianten.

De Transsahara kwam in het zicht, een wereldwonder dat men moet gezien hebben. Het is een superweg en tegelijk een waterader. Hij begint te Villa Cesneros op de westkust van Afrika en bereikt in één enkele rechte streep de Rode Zee, 5500 kilometer daar vandaan. Het is een constructie op palen, gemaakt van het staal van tanks en oorlogsschepen. De palen zijn tussen vijf en honderd meter hoog en hinderen het planten- en dierenleven niet. Zweeftreinen gemaakt van het materiaal van oorlogsvliegtuigen en raketten doen de grote afstanden en zweefbussen de plaatselijke trajecten. Onder het wegdek stromen drie rivieren die de stad en de beregeningsgebieden voorzien van ontzilt zeewater, ijsbergwater en rivierwater. Het rivierwater komt van de Rhône, aangevoerd door een pijp van zevenhonderd kilometer, dwars door de Middellandse zee.

Met een lift kwamen we boven in het station, zeventig meter boven het maaiveld, met een prachtig uitzicht op de groen geworden woestijn. Er stonden reizigers uit alle delen van de wereld. Een meerderheid had voor de praktische westerse klederdracht gekozen, maar een aanzienlijk aantal liep in boernoes of andere volkseigen drachten, er liep zelfs een paar Volendammers.

De zweeftrein verliet na enkele uren de hoofdlijn, liet Villa Cesneros links liggen en nam de richting van de Algerijnse zeekust. De aanplantingen lagen achter ons en wij zweefden boven een dorre, onherbergzame streek, het Hoggar gebergte. Een schrikbeeld. Zo zou de wereld er overal uitgezien hebben zonder de tussenkomst van de Beweging. Kale zandvlakten en rotswanden, een eenzame, verdorde of stervende boom en hier en daar geraamtes van grote zoogdieren. De woestijn was geen romantiek, de woestijn was de ziekte zelf.

Op het maanlandschap volgden uitgestrekte palmwouden. De toppen van de hoogste bomen reikten zo hoog als de superzweefweg. De hoofdtelefoon vertelde dat het in de plassen, moerassen en meren onder het ondoorzichtige groene dak, krioelde van hagedissen, krokodillen, slangen en schildpadden. Vijfentwintig jaar spelen met water, zon, lucht en aarde, meer was niet nodig om vele wonden geslagen tijdens het militair-industriële tijdperk, te helen.

Irene nam een bundel met eigen aantekeningen uit haar aktetas. “Ik ga je voorlezen uit een samenvatting van de gebeurtenissen van toen,” zei ze, “die ga ik dan opfleuren met persoonlijke getuigenissen zoals die van jou, die moeten mijn boek zoveel leesbaarder maken. De bedoeling is er een tv-serie van te maken, er is belangstelling voor.” Ze las:

‘De kerncentrale De Roos werd in de eerste uren van de actie door ruim vijfhonderdduizend aanhangers van de Beweging van de Grote Ommezwaai, kortweg De Beweging belegerd. De zesde dag was het aantal belegeraars opgelopen tot twee miljoen. Gebruik makend van de verwarring, omzeggens chaos, plaatste De Beweging haar meesterzet. Op een ludieke en onbloedige manier konden zowat tweehonderd idealisten het kernpark binnendringen en de reactor ondermijnen. Om dat te doen verschalkten ze de federale brigade die De Roos van binnen uit verdedigde. De televisiecamera’s keken toe uit alle hoeken. Er gebeurde niet veel tot plots een deel van de manifestanten zich van de grote toegangspoort terugtrok en zo een ruimte liet, een podium als het ware. Tientallen mannen en vrouwen kwamen naakt van achter de belegaars gelopen en gaven zich over aan een massale copulatie in variaties die elke beschrijving tartten maar des te meer tot de verbeelding spraken. De politiemannen achter het hekken kregen het bevel om een einde te maken aan het schandaal, dat wereldwijd werd bekeken, rolden de poort open en rukten uit met hun gummiknuppels in de aanslag. Maar de publieke neukers waren ingehuurde en geoefende pornovedetten, niet zomaar uit elkaar te trekken, de politiemensen hadden weinig greep op de blote met olie ingewreven lijven, misschien vonden ze het optreden zelfs prettig want ze deden niemand pijn. Dat was een fout want achter hun rug geraakten een paar honderd demonstranten, die zich eveneens hadden uitgekleed, rennend binnen de omheining. Die blote idealisten waren, zo te zien, ongewapend en daardoor namen de bewakers de tijd om de poort weer te sluiten, de pornovedetten werkten buiten hun nummers af, trokken nog alle media-aandacht aan zich en zo kreeg een dozijn hemelsblauwe luchtballonnen de tijd om in het kernpark te landen, hulzen plutonium en een kernontsteker uit te laden en weer op te stijgen. In een minimum van tijd droegen de naakte mannen en vrouwen de hulzen en de ontsteker bij het reactorgebouw en gingen er omheen staan, als een levende muur van weerloze blote gestalten achter een groot spandoek met de tekst: ‘Deze reactor is ondermijnd door een plutoniumbom. Raak ons niet!’ Niemand kon met zekerheid zeggen of er ontploffingsgevaar was of dat de overweldigers bluften, maar het risico was groot, ontplofte de reactor dan was de definitieve kettingreactie niet uitgesloten. Dan werden Europa, de aarde of zelfs stukken van ons zonnestelsel tot ruimtestof herleid.

‘De politiebrigade omsingelde nu de indringers. Het werd stil, de invallers kregen de camera’s op zich gericht. Hun leidster Lara Christiaens, de dame met het hart van goud en de moed van een tijgerin, nam een megafoon en ging naakt voor het spandoek staan. In wereldvisie hield ze haar legendarische toespraak.

‘Wonderen liggen niet in onze macht,’ zei ze, ‘we kunnen de zee niet splijten, we kunnen de broden niet vermenigvuldigen, en toch is dat nog duizendmaal eenvoudiger dan zij die ongeoorloofd rijk zijn geworden tot broederschap te brengen en hun weelde te laten delen met de armen, opdat eenieder het zijne krijge in een wereld van overschotten en verkwisting. Ons is geleerd dat wij ommekaar moeten leven, zodat de mensheid de weg naar geluk en tevredenheid inslaat. Maar in kerken, moskeeën, synagogen en tempels bidden staatshoofden, regeringsleiders en kerkvaders hun god aan en prijzen en zegenen gewapend ingrijpen als het ultieme middel om de door hen gekozen rechtmatige overtuiging te doen overheersen.
‘Ons is geleerd te wenen over onze eigen zonden en de zonden van anderen. Maar nijd, gramschap, traagheid, hovaardigheid, gierigheid, gulzigheid en wraaklust zijn door de voorbeelden van de gezaghebbers tot deugden verheven, waar hoop, geloof, liefde, berouw, rechtvaardigheid, toegeeflijkheid en erotiek zijn vervallen tot gebreken en zwakheden die ons te gronde richten.
‘Ons is geleerd dat wie met het zwaard omgaat door het zwaard zal worden bestraft. Die woorden staan in ons hart gegrift, dat zijn de stichtingswoorden van Iris, de vredesbeweging, de natuurbeweging, de Beweging.
‘Niet één op de honderdduizend onthecht zich van aardse goederen, welk geloof en overtuiging hij of zij moge belijden. Nog niet de eerste stap is gezet naar een edelmoedige levenswijze. Hoeveel mogen zeggen dat zij ooit geweend hebben om het kwaad dat dagelijks wordt aangericht? De weerlozen, zij die niet kunnen liegen of bedriegen of weigeren het te doen, lijden op deze aarde nog altijd honger, dorst en gebrek. De waarachtig rechtvaardigen en edelmoedigen trekken niet in grote drommen aan onze ogen voorbij. Hij die in de loop van zijn leven één keer tegen zijn eigen belang heeft gesproken, hij kome naar voren.
‘Nu is de tijd om in het licht te treden, om de Grote Ommezwaai te voltrekken. Artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens luidt: eenieder heeft het recht op een levensstandaard die voldoende is om zijn gezondheid, zijn welzijn, alsmede dat van zijn gezin te verzekeren.
‘Sta ons toe de heer Jezus woordelijk aan te halen: ziet de vogels in de lucht; ze zaaien noch maaien, en verzamelen niet in schuren; en toch voedt ze uw hemelse vader. Zijt gij niet meer waard dan zij? En wie van u kan door zijn tobben een el toevoegen aan zijn levensweg? En wat zijt gij over kleding bekommerd? Denkt aan de lelies op het veld, hoe ze groeien; ze werken niet, en spinnen niet. En toch zeg Ik u, dat zelfs Salomon in al zijn heerlijkheid niet gekleed was als één van deze. Als God nu het kruid op het veld, dat vandaag nog bestaat en morgen in de oven wordt geworpen, zo aankleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen? Weest dus niet bezorgd, en zegt niet: wat zullen we eten, of wat zullen we drinken, of waarmee zullen we ons kleden? Hiernaar toch vragen de heidenen, uw hemelse Vader weet dat gij dit allemaal nodig hebt. Maar zoekt eerst het rijk van zijn gerechtigheid, en dit alles zal u worden geschonken als toegift. Weest dus niet bekommerd voor de dag van morgen. Want de dag van morgen zal bezorgd zijn voor zichzelf; iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.’

Lara sprak langzaam, gemeten. De tolken kregen de tijd haar woorden om te zetten in ondertitels, woorden uitgesproken door de warmste, diepste en meest liefdevolle stem die er ooit geweest was.

‘De noden van een samenleving zijn de noden van elk lid van die samenleving en niet de noden van een elite. Er is maar één samenleving, één soort mensen op aarde en de aarde is de moeder van het geluk. Wij...

Dan klonk een schot en haar stem brak. Lara werd door een kogel in haar buik getroffen, een sluipschutter had haar in opdracht van een fanatiek staatshoofd doodgeschoten, vermoord.

De wereld had het rechtstreeks op de televisie gezien en tot in de verste uithoeken ontstonden grote optochten en werkonderbrekingen die uiteindelijk tot de Grote Ommezwaai leidden. Haar offer bracht de mensheid tot inkeer.

De volgende dag al werd het lichaam van Lara, in een paarse lijkwade gewikkeld, verast op een brandstapel van dor hout van bomen gestorven onder de radioactieve neerslag van De Roos. Toegevoegde groene takkenbossen maakten zoveel rook, dat niemand zag hoe het mooie hoofd van onze Lara tot een afzichtelijke homp verschrompelde. Dan schoot een vlam hoog op en de geur van kaarsvet verdrong een paar ogenblikken de stank van geroosterd vlees, bot en ingewanden.

Dat was het teken voor nog miljoenen om toe te treden tot De Beweging en te doen wat gedaan moest worden. Eerst uit een opslagplaats van kernbommen in Belgisch Limburg, dan uit Duitsland en daarna uit heel Europa vertrokken de tractoren en de platte wagens met meer dan honderd wielen, geladen met kernraketten, naar Vlaanderen, vanouds het slagveld van Europa. Op het terrein van De Roos werden de kernladingen opgetast tot een massale bom.

Op Internet werd de site ‘Wereldgeweten’ geopend. Vroeger werkte het Wereldgeweten onder toezicht van de eerste, onverzettelijke Ommezwaaiers, tot op volautomatische verwerking kon worden overgeschakeld. Om de zeven maanden moeten alle aardbewoners boven achttien jaar verplicht hun stem uitbrengen. Als tweeënveertig percent niet stemt of verklaart dat negenenveertig percent van de bevolking de naastenliefde niet beoefent, is het uur van het laatste oordeel geslagen en treedt het ontstekingsmechanisme in werking. De terminals die de stemmen opnemen zijn tegelijk leugendetectors. Een zeldzame keer zal het lukken tegen eigen overtuiging te stemmen, maar de beveiliging tegen criminele organisaties en staatsmenners, die door afpersing genoeg Lara-standaarden in hun macht zouden kunnen krijgen om hun zin te doen en hun verderfelijke macht weer in handen te krijgen, werkt nu al vijfentwintig jaar onaangetast.’

“Jij was ook in De Roos,” bevestigde Irene met een vraag en stopte de bundel uitgetikte vellen weer in haar tas. “Zo eenvoudig was het om van de mens een goddelijk schepsel te maken, dat eindelijk zijn lot in eigen handen nam.”

Ik antwoordde niet, ik voelde mij niet goddelijk, ik dacht alleen aan mijn groot verlies, de dood van Lara was het grootste offer dat iemand kon brengen. Ik had het in haar plaats willen doen, maar het moest een vrouw zijn, mannelijke goden hadden al van in het begin de ware bevrijding belet, verboden, aan zich getrokken. Ik zou haar nooit vergeten.

De zweeftrein was trager gaan rijden midden plantages die op afstand leken op aanplantingen van symmetrische, metaalachtige platen een vier vierkante meter groot, gezet in eindeloze rijen, golvend over het heuvelland, zo ver het oog reikte. Dan zag ik dat het helistatische energiepanelen waren, die op een korte, roterende stengel gemonteerd van dageraad tot zonsondergang zonnestralen vergaarden die ze in elektrische stroom omzetten. Metaalwitte cilinders van tien meter hoog en drie meter diameter, opgesteld in bekkens ter grote van een tennisveld, braken de eentonigheid van de energievelden. Het waren de klokken die de waterstof en de zuurstof opvingen, ontstaan uit de elektrolyse van water met de stroom van de energievelden. Perspompen, als abstracte mobielen van Calder, verdichtten dag en nacht de gassen tot vloeistoffen. Door buisleidingen, gedragen door de zweefweg, vloeiden de gassen naar hun diverse bestemmingen: elektrische centrales, scheepsmotoren, locomotieven, kleinere motoren. Het stond allemaal te lezen in de folder ter attentie van de reizigers.

In de havenstad Tenes stapten we uit, voor de overtocht van de Middellandse zee. In de haven heerste een lome drukte, niemand was op jacht naar een overslagrecord. Ik zag een partij panelen liggen, gemaakt van gepolymeriseerde palmolie, kunsthout dat in stevigheid en nerventekening gunstig afstak tegen eikenhout, met het grote verschil dat de eiken bleven leven en in zijn gewijde vorm meikevers, vogelnesten, rupsen en spinnen in bescherming kon nemen, beter dan als kast in Vlaamse Renaissance staan te pronken volgepropt met tin, aardewerk en koper. Even verder lagen duigen, samengebonden in bundels. Ze waren gestanst uit de materie ontstaan door stengels en vellen van palmvruchten onder hoge druk samen te persen. Door toevoeging van olie gewonnen uit eikels, hadden de duigen de smaak van eikenhout gekregen, uitstekend geschikt om er fusten van te maken voor de lagering van Port en Jerez. Eikels rapen in de herfst was een gegeerde vakantiebestemming, die de vakantiegangers tegelijk Lara-standaarden opbracht.

Onze boot de Esperanto was een gemengd vracht- en passagiersschip met want van nylontouw en zeilen van kunststof. Hijsen, draaien en strijken van de zeilen waren elektrisch gestuurd met servomotoren. De romp was gemaakt van herwonnen materiaal van gesloopte gevechtsvliegtuigen en rakethulzen. Om windstilte te bestrijden was een hydrogeenmotor ingebouwd.

Bij het afmeren kwam Irene naast me staan. We keken toe hoe we ons losmaakten van Afrika.
Ik zei: “Meer dan drieduizend jaar geleden is Odysseus hier voorbijgevaren, op zijn elfde etappe naar huis.”

Na het diner ging ik op het dek om een neusvol frisse lucht, om te kijken naar de zee waar Odysseus tien jaar op gezworven had, meer gevaren getrotseerd en vrouwen aan zijn lijf gehad dan een man normaal in zijn leven kon verwerken, terwijl Penelope trouw op hem bleef wachten. Irene kwam naast me staan om wat te praten. Ze wist te vertellen dat psychologen, psychiaters en andere doemdenkers van voor de Ommezwaai een epidemie van zenuwziektes en loodgrijze zenuwinzinkingen hadden voorspeld, als de strijd om het bestaan, die ze verwarden met de zin van het leven, zou wegvallen en zijn plaats zou ingenomen worden door nietsdoen in luilekkerland. “De zenuwziektes zijn sensationeel afgenomen,” zei ze.

De kust van Frankrijk kwam in het zicht. De roerganger minderde zeil en sloeg de hulpmotor aan om aan te meren. Een ontroering greep me naar de keel, ik was weer op Europese bodem, mijn vaderland, ginds lag Vlaanderen, mijn land.

Met het busje van de haven naar het treinstation reden we door graanvelden, zonnebloemvelden, wijngaarden en groentetuinen, waar duizenden landarbeiders, mannen en vrouwen, de landbouwmachines hadden verdreven. Deze verfrissende aanblik hield aan tot in de voorsteden van Parijs, waar wild struikgewas en hoge bomen de plaats van de bidonvilles hadden ingenomen.

Van Parijs naar Brussel duurde het nog een uur. Nu was ik echt weer thuis. We gingen een kijkje nemen in de stationswijk. De wijk was niet meer de verkrotte en in de steek gelaten armenbuurt. Op de stoepen elke twee meter een ongemoeid gelaten bak met bloemen, hondenpoep was er helemaal niet. De vrouwen hielden hun handtas niet meer krampachtig met beide handen voor hun buik geklemd, ze leken heel ontspannen en keken rustig naar de uitstalramen met smaakvolle gebruiksvoorwerpen van nu en vroeger. Het meest vielen de jongelui op, uit een fijne houtsoort gesneden in de overheersende kleur sepia, de vrucht van de ongeremde rassenmenging van een generatie geleden, een duidelijk en onmiskenbaar bewijs dat vreemd bloed een ras veredelt, niet vergiftigt.

We kwamen terug bij het zuidstation. Irene zorgde voor het reisgoed en de kaartjes. De oude treinstellen van vijfentwintig jaar geleden reden nog, goed onderhouden konden ze nog lang mee. Zo’n trein had me jaren lang naar Brussel gebracht om er mijn boterham te verdienen tegen de voorwaarde dat ik acht uur van mijn vrijheid afstond aan iemand die met mij geen uitstaans had, mijn vader niet was, niet eens verstandiger of meer goedhartig was dan ik en dat ik me dat zo lang had laten welgevallen.

In Mechelen deed Irene me overstappen op een trein naar De Roos, een bezinningsoord als Jeruzalem, Rome, Mekka en Scherpenheuvel. Een half uur later stopte de trein in station De Roos, op een kilometer wandelen van de vroegere kerncentrale, nu door waterstof aangedreven. Er was veel volk onderweg, het was alle dagen zo druk, zei Irene.

Ze vroeg: “Is je bij de lijkverbranding niets opgevallen?”
“Wat? Een zonsverduistering om drie uur. Een inktzwarte hemel met verblindende bliksemstralen? Een aardbeving? Mijn fles gin was half, meer herinner ik me niet.”
“Ik heb het niet over tekens, ik heb het over de brandstapel.”
“Een vlam die hoog opschoot en de plotse reuk van kaarsvet. De onderpastoor van het gehucht van De Roos die een pak gewijde kaarsen in het vuur gooide.”
“Het was haar hoofd,” zei Irene.

Waarom zei ze dat in het zicht van de koepel en de koeltorens die zich tegen de helderblauwe horizon aftekenden, net als toen. Er bulkte een damppluim zo vervaarlijk als dondertorens op uit de koeltorens. De zon stond schuin over de vlakte, hier was de Grote Ommezwaai ontstaan, hier op het keerpunt van voortbestaan en dood, hoorde men stil en ingetogen te zijn en geen grapjes te maken over het hoofd van een geliefde dode dat opbrandde als kaarsvet.

Er daalde een nevel neer over het land, waren dat weer mijn ogen die befloerst geraakten? Ik moest geen moeite doen, de tranen welden vanzelf op, ik sprak niet meer, mijn stem zou overslaan, liefde en emotie overmanden mij. Ik dwong mezelf tot rustig ademen en vroeg: “Wat wil je mij aan het verstand brengen?”
Ze zei: “Lara is mijn moeder, jij bent mijn vader. Moeder is niet dood, ze loopt al een tijdje achter ons aan.”

Ik keerde me om met een ruk en stond voor een dame in een jurk die glansde als zijde, groen loof op een wit fond met rood en geel in, haar borsten tekenden zich nadrukkelijk af in de stof, ook haar heupen, het was Lara, ik zag het aan haar ogen, haar mond, haar hals, zelfs de rimpels die ze toen nog niet had. Ik legde mijn handen op haar heupen en kuste haar op haar mond.

Met drie liepen we verder in de richting van De Roos. Woorden hadden we niet nodig om elkaar te begrijpen. Aan elke arm hield ik een vrouw, ik wist niet waar ik het had, gelukkig en verstomd. “Ik heb je op de brandstapel zien liggen, alleen je hoofd met je mooie haren kwam nog onder het paarse lijkkleed uit, dan was er veel rook.”
“We moesten iedereen misleiden, jou in de eerste plaats,” zei Lara. “Alleen een mensenoffer kon de Ommezwaai doen slagen. Dat hoofd was een wassen beeld.”
“Maar je lichaam. We hebben toch allemaal geroosterd vlees geroken en ingewanden en vet in het vuur gesmolten en verkoold.”
“Dat was een lam. Een volwassen schaap, geschoren zodat de stank van verbrande wol ons niet kon verraden.”
“Hoe ben je dan weggeraakt uit De Roos? Je hebt daar toch geen twintig jaar gewoond?”
“Ik ben buitengesmokkeld in een wagen van het Rode Kruis en ben ondergedoken in een nonnenklooster. Vijf jaar heb ik verborgen geleefd, eerst alleen maar na negen maanden is Irene gekomen, jouw souvenir. Dan ben ik weer in de wereld getreden. Ik ging wonen in een kleine stad, op een appartement, waar mensen naast elkaar leven. Ik zei dat mijn man verongelukt was. Ik wist dat je nog leefde, waar je je verborgen had, ik was wanhopig, we mochten elkaar niet meer zien, ze mochten er niet achter komen dat ik nog leefde, dan zouden ze weten dat we met trucjes werkten en de gevolgtrekking maken dat er iets mis was met de originele plutoniumhulzen. Met een geweerkogel hadden ze kunnen uitmaken dat De Roos de eerste weken was ondermijnd met bierblikken van een halve liter en geen plutonium.”

We liepen door de grote poort naar de kernreactor en maakten de ronde van het ondermijnde gebouw. Rondom het gebouw stonden nu de kernraketten met hun punten naar de hemel gericht, als orgelpijpen. Dat waren geen bierblikken, dat was het Wereldgeweten.


Toelichting.
Ieder mens geniet een levensstandaard gelijk aan die van een stad als Brussel omstreeks 1980. Die levensstandaard is berekend op duizend consumptie-eenheden per dag, die geregistreerd staan op een onvervreemdbare en onverwoestbare persoonlijke chip die voor iedereen dezelfde is in alle werelddelen. De eenheid van consumptie is een Lara, het is geen geld maar een ruilmiddel genoemd naar onze grootste heldin. Voor die duizend Lara’s leveren wij arbeid naar eigen kunnen.Wie langer werkt dan de norm, verdient niet meer Lara’s dan een ander, om te vermijden dat een ruilmiddel weer geld en macht zou worden. Hij krijgt er rusttijd voor op zijn krediet die hij niet verplicht is op te nemen. Een taak kiezen is eenvoudig, wie geen speciale kundigheden heeft of wil beoefenen, kan zich inzetten om tuinen te wieden, het land bewerken met spierkracht, een misdeelde met een rolstoel rondrijden, pakjes en reiskoffers dragen, er is altijd wat te doen. Onze neutrale wereldwijde database staat in voor de registratie en opvolging van alles wat we doen, wie blijft weigeren wat dan ook te ondernemen, krijgt na tijd minder Lara’s zodat hij onder de standaard moet leven, maar verhongeren of tekorten zal hij nooit lijden, alleen wat minder weelde kennen dan wij. Onze filosofie is dat er voor de mens geen groter beloning is dan zich nuttig te voelen in een eenvoudig bestuurde wereld. We hebben bewezen dat de mensheid tot het allerhoogste in staat is als niemand enige verdienste opeist en zo komt het dat deze stad Iris heet en niet de naam draagt van een leider gekoppeld aan -stad, -gard, of -ville. Dan was het Laragrad geweest.”


Dit verhaal geschreven door Gilbert Servaes, een personage uit de verhalenbundels van Julius A. De Cort, vond geen genade bij literaire tijdschriften die met wat anders begaan zijn dan met futuristisch gedoe, hoewel dit geen futurisme is maar een wereld binnen handbereik. Trouwens de literatuurbonzen noemen onderhavig verhaal schrijfsels waar zij zeer onterecht een hekel aan hebben. Damesbladen, erotische magazines, glossy’s en dergelijke hebben geen belangstelling voor verhalen als deze, die passen niet in hun kraam en vallen iets te lang uit. Niet zonder enige bijval heeft hij dit verhaal zelf in beperkte kring verspreid,. De schrijver heeft een wereld geschapen waar het goed toeven is, waar een ieder van een zorgeloos bestaan geniet. Romance, melodrama, exotisme en strijd voor het hogere doel zijn niet ver, kortom het is geen proza om ongelezen naast zich te leggen, zeker niet nu in deze tijd zoveel veranderingen op til zijn. Zorg en kommer voor het minste grassprietje, daar gaat het om. Het is in de ikvorm geschreven, maar Servaes is niet de hoofdpersoon.


Geen opmerkingen: