vrijdag 21 juli 2017

13. MOORD OM EEN BORD LINZEN

MOORD OM EEN BORD LINZEN

Op een ochtend in augustus raasde de verschrikkelijke mare van een drievoudige moord door het dorp, als een lopend vuur achter de ketelwagen van de petrolboer. Pol, Constance en Pauline Goethals waren dood en badend in hun bloed aangetroffen in het huisje aan de Deeldijk. Pol lag in de huiskamer, afgemaakt met bijlslagen, Constance was in het schotelhuis de schedel ingebeukt met een melkstoop en hun ongehuwde dochter Pauline, die op het kasteel had moeten zijn, was tot in het schuurtje gevlucht, had nog geprobeerd op de ladder naar de hooitas te klimmen, maar was daar gepakt en lag met doorgesneden keel aan de voet van de ladder in een plas geronnen bloed naast het moordwapen: het blad van een zeis. In doodskramp hield ze haar gebalde vuisten tegen haar onbarmhartige God gekeerd. Uit de wanorde bleek dat de slachtoffers hard voor hun leven hadden gevochten. Louter de zuigeling in het wiegje was ongedeerd gebleven. Hij lag te krijsen van honger en aangetrokken door dat gekrijs had de postbode de voordeur opengestoten. Hij had vanaf de brug gezien dat er wat scheelde. Het was maandag en hij was bewoner en gezinshoofd Pol Goethals niet tegengekomen op weg naar de brouwerij waar hij werkte, had Constance niet op het erf gezien, de bezem stond naast de deur en hij had het kindje van Pauline horen huilen van honger van op de plaats waar hij stond. De deur stond aan, hij klopte, keek naar binnen, zag Pol liggen, was op de andere lijken uitgekomen en was, met zijn posttas onder een arm gekneld, naar het dorp gerend naar de hoofdveldwachter Staing Van Steen. Die had zijn hulpveldwachter Lomme Vertommen uitgestuurd, Staing had in zijn leven genoeg bloed gezien en voor Lomme was het de vuurproef. De postbode was er een week lang niet goed van en om niet gek te worden van wat hij had gezien dronk hij veel meer pinten bier dan we van een postbode gewoon zijn.

Het parket deed de nodige vaststellingen, spande zich naar we mogen aannemen tot het uiterste in om toch maar een tip van de sluier op te lichten, maar bereikte niets. De misdaden geraakten nooit opgehelderd, de dader of daders nooit ontmaskerd. Ondervraging van omzeggens de hele dorpsgemeenschap, ontleding van bloedspatten, metingen, afgietsels van voetsporen van de onbekende daders, foto’s van de lichamen op de plaats van het vergrijp, het werd een lijvig dossier maar ze vonden niets, hadden geen been om op te staan. Moord om de familie het zwijgen op te leggen zodat de naam van de vader van het kind niet aan het licht zou komen en zo een prominente familie in opspraak brengen of de mooie toekomst van een beloftevolle jongeman breken, werd niet als motief aanvaard. Er was geen poging gedaan om door middel van vergelijking van bloedgroepen een beeld te krijgen van de natuurlijke vader van het kind, de erfelijkheidsleer stond toen nog niet veel verder dan de erwten van Gregor Mendel en met vingerafdrukken hadden ze even weinig op als Hercule Poirot. Evenmin werden de jongelieden die met Pauline kort of lang hadden geflirt aan een lijfonderzoek onderworpen om te zien of ze geen schrammen, beten of andere letsels hadden opgelopen die ze niet konden verklaren. Ook het doen en laten van baron René de la Chooze van het kasteel Hof ter Wolvendonck werd niet nagetrokken. Dat was allemaal te ver gezocht, te onzeker en zou onschuldigen in een verkeerd daglicht hebben gesteld, hen een slechte naam bezorgen waar ze nog moeilijk vanaf zouden komen.

In het dorp gonsde het een paar weken van geruchten, maar de tongen kwamen niet echt los, hoofdzakelijk omdat niemand iets wezenlijks had te verklaren. Natuurlijk niet, ze hadden alles van horen zeggen of uit krantenberichten van journalisten die zelf op geruchten waren afgegaan. Met wie Pauline de laatste tijd meeliep was algemeen geweten, maar geen die het luid zei, uit vrees een proces te worden aangesmeerd wegens laster. En zoals overal en altijd waren er die geheimzinnig deden maar nog minder wisten dan de pasgeboren baby in zijn wiegje. Iemand had het kunnen weten, de pastoor als de dader zo idioot was geweest bij hem zijn biecht te spreken. De herder was zogezegd gebonden aan het biechtgeheim, maar wie geloofde daar nog in. Wie het zeker wist was de schuldige zelf, maar vanzelfsprekend zweeg die als vermoord.

Het was mogelijk dat een man alleen de drie moorden had gepleegd. De spreiding van de lijken in het huis leek erop te wijzen dat de moordenaar zijn slachtoffers had achterna gezeten en ze een na een in zijn moordlustige greep gekregen had. Het kon ook dat hij een of meer medeplichtigen had, dus min of meer een bende. De rechercheur die op een spoor zat, een draadje van het kluwen leek te hebben losgepeuterd, volgens de overlevering dan toch, was van het onderzoek afgehaald, weggeroepen voor andere, niet nader toegelichte vaderlandse taken. De hele zaak werd tenslotte officieel afgedaan als roofmoord, gepleegd door een rondtrekkende bende. Wat voor buit een roversbende bij Pol Goethals op het oog hebben kon, was onduidelijk en waarom ze in de streek slechts één overval pleegde en dan nog op een arm gezin van een dronkaard, bleef even duister. Het konden Duitse spionnen geweest zijn, die zaaiden onrust in heel het land en Pol had ze misschien betrapt in de nabijheid van de transmissiebunker op de dijk. Waren er zigeuners in de buurt geweest, dan zouden die het gedaan hebben, er liep van alle soorten volk rond, men kon het niet gek genoeg bedenken. De mensen zeiden dat het deksel perfect op de doofpot paste, de mensen zeiden zoveel. Na maanden stilde de beroering in het dorp, de kranten schreven er niet meer over en geleidelijk namen andere onderwerpen van gesprek zoals het gekibbel tussen Hitler, Daladier en Chamberlain over stukken grondgebied waar ze op de keper beschouwd geen zeg over hadden, de bovenhand.

De pasgeborene was op wonderbaarlijke wijze aan de moordpartij ontsnapt, een baby ombrengen was een koud kunstje, of had de moordenaar hem willen sparen om zijn kind van op afstand te zien opgroeien. Dat zou wijzen op één enkele moordenaar en geen onbekende. Het wichtje was in een klap zijn moeder en zijn grootouders kwijt, het was niet zeker of de vader nu nog in leven was of later een natuurlijke, liefst vreselijke dood was gestorven. Er was geen zelfmoord of ontijdige verdwijning gemeld, de laffe verwekker van het kind had zich nooit bekend gemaakt.

Na de moorden bleef het huisje aan de Deel vele jaren lang een verlaten, verdoemde plek, het stond meer dan veertig jaar leeg, alleen zwerfkatten en vampiers bezochten nog de bouwval, zelfs vrijers die met hun lief thuis niet binnen mochten bleven er weg. Het stond daar invallens, het gebinte verrot, de dakpannen aan het verschilferen, tot het gemeentebestuur, dat de boel had gekocht van baron René de la Chooze, maar er lange tijd niets mee had gedaan, de woning enige jaren geleden had laten herstellen en woonklaar maken. Het had een nieuw rood pannendak, nieuwe groen en wit geverfde deuren, ramen en blaffeturen gekregen. De eerste bewoner van het vernieuwde huisje op de dijk was Melanie Vloeberghs, een weduwe die het niet te breed had en een kleine huur betaalde. Het huisje aan de Deel had van Victor Goethals, de baby uit het levensverhaal van Pauline, later de naam Villa Lievevrouwebedstro gekregen, de naam was hem ingegeven door de kleuren van de verf en door de aard van de bewoonster, maar daar is eer al dieper op ingegaan.

Victor Goethals zat op zijn fiets en reed over de Deeldijk naar rusthuis Zilverschoon om het aangenaamste deel van zijn dagtaak daar te vervullen. Puur in de natuur, had hij tijd om na te denken. Hij zat met heel veel vragen in verband met de dood van zijn moeder en heel weinig antwoorden. Er hadden zich in veertig jaar slechte en goede dingen voorgedaan, de meeste daarvan vergeten en vergeven. Het vrat al een tijd aan zijn geweten dat hij nooit wat ondernomen had om klaarheid te brengen in de zaak van de moord op zijn moeder.

Het stond vast dat Pauline Goethals zich een keer had gegeven, anders reed de Fikker hier nu niet op de dijk, boven de veertig, zijn buik te dik in verhouding tot zijn lengte. Lena, destijds de beste vriendin van zijn moeder die ook had gediend op het kasteel van de baron, had hem verzekerd dat Pauline het niet met iedereen deed, maar zij kon gelogen hebben om de naam van zijn moeder in ere te houden, van de doden niets dan goed. Ze flirtte wel wat af maar de jongelieden die dachten dat zij de man waren en haar naar huis brachten moesten keer na keer zeer tot hun ongenoegen onverrichter zake afdruipen en terugkeren naar het bal of café waar ze haar hadden opgepikt en dan maar opscheppen. Als het zo gegaan was, wisten zij die werden aangezien als mogelijke vader, de vader niet konden zijn en ze hadden bijgevolg geen motief om Pauline om te brengen en hun naam en toekomst te redden.

Maar Victor hoefde niet meer te zoeken naar wie zijn vader was, biologisch was dat de baron, als de gelijkenis er niet om loog. Het was weinig waarschijnlijk dat de baron handlangers of huurlingen had uitgezonden om zijn moeder om te brengen en het vaderschap geheim te houden, gezien zijn stand hoefde hij zich dat in die tijd niet aan te trekken. Van toen hij bijna absolute zekerheid had dat baron René de la Chooze zijn natuurlijke vader was, had Victor Goethals zich toch niet van het onheimelijke vermoeden kunnen ontdoen dat baron René de moordenaar was van zijn moeder en grootouders, met als motief zijn adellijke stam de schande van een buitenechtelijk kind bij straatarme mensen om niet te zeggen schooiers, te besparen. Het kon altijd, maar waarom hadden ze hem dan niet omgebracht?

Het eenvoudigste zou zijn geweest uitsluitend de baby om te brengen, een kussen en het was zo gepiept. Iemand moest hem laten leven hebben om zo de verdenking van zich af te schuiven, niet zijn vader dus. De onbekende dader kon het kindje laten leven hebben omdat hij mocht verwachten dat uit het uiterlijk later zou blijken wie de vader was en dus de vermoedelijke moordenaar, zodat hij nooit verdacht zou worden. Maar welk motief heeft hij dan gehad om aan het moorden te slaan, zeker geen politieke motieven. En om bezit kon het niet te doen zijn geweest, zijn grootouders waren straatarm. Goethals wist niet wat hij er moest van denken. Zijn vader als crimineel was geen al te frisse referentie. Een hele brok onderstellingen om mee door het leven te gaan en Victor vreesde dat ze op los zand waren gebouwd. Wie het ook gedaan mocht hebben, hij gunde de moordenaar een gewetensprobleem zo groot als een kathedraal, dat dag en nacht, nuchter of zat in zijn hoofd etterde en dat elke morgen bij het ontwaken zijn oorkussen geel en groen zag van het pus die uit zijn oren was gedropen. Nu, meer dan veertig jaar na de feiten, kreeg Victor Goethals een groot verlangen eindelijk de waarheid te onthullen.

Na de routinetaken op zijn kantoortje in het rusthuis Zilverschoon te hebben afgehandeld of opzij gelegd had Goethals Lomme Vertommen, de oude veldwachter die in het home van een welverdiende rust genoot, en Lena Dewit, de jeugdvriendin van zijn moeder, eveneens een logé van het rusthuis, gevraagd om samen te komen in het park en te praten over zijn moeder. Ze gingen zitten op een bank bij de vijver, Victor had plaats genomen tussen de beide nog flinke oudjes. In een tas had hij al de gedenkstukken van zijn moeder meegebracht.

Waar gaat het over, jongen,” vroeg Lomme.
“Mijn moeder,” zei Victor,
"Wat hebben ze haar en jou toch aangedaan, Fikker,” zei Lena. “Ik zou razend zijn en nooit nog iemand willen helpen.”
“Zo ben ik niet gemaakt en Ida en Mane zijn goede pleegouders voor mij geweest. Ik heb geen klagen gehad, ze zijn mijn ouders en daarmee uit. Ik ben op zoek naar de moordenaar van Pauline, van zij die mij op de wereld heeft gezet. Ik heb gesproken met mensen met wie ze haar plechtige communie heeft gedaan, ik hoopte dat ze mij op een spoor hadden kunnen zetten.”
“Die weten van niets,” zei Lomme Vertommen, “nog minder dan ik en ik ben er bij geweest.” Hij zei het met een zekere trilling in zijn stem alsof het pas gebeurd was: “Ik was er als een van de eersten bij toen de moorden ontdekt werden, de eerste politieman om in het huisje en bij de lijken de vaststellingen te doen. Zoiets had ik nooit eerder meegemaakt, zoiets vergeet een mens van zijn leven niet.”

Hij vertelde wat hij had gezien: “De postbode, hoe hij heette weet ik niet meer, had de lijken gevonden en was zo hard hij kon naar het dorp gesjeesd om ons op het gemeentehuis te verwittigen. Staing de brigadier stuurde mij erop af. In de woonkamer lagen de lijken van Pol en Constance, de kleine lag in de wieg te schreien van honger. Hun dochter, je moeder Pauline, ongehuwd zoals je weet, vond ik in het schuurtje bij de ladder naar de hooitas. Die moorden waren de ergste feiten die ik in mijn leven ben tegengekomen en ik heb wat meegemaakt. Ik deed de eerste vaststellingen als hulpgarde, daarna is er meer volk gekomen om de nieuwsgierigen op afstand te houden, daar had Staing Van Steen voor gezorgd. Die wilde het liever niet zien en hij liet mij begaan. Het parket stapte ter plaatse af, moord viel niet onder de bevoegdheid van een veldwachter en sporen heb ik niet uitgewist, ik wist wat ik deed. De rechercheurs uit de stad hebben de dader of daders nooit gevonden. Ik heb zoveel het kon het speurwerk van nabij gevolgd maar tot op heden ben ik ervan overtuigd dat niet genoeg werd gedaan. Ik heb altijd vermoed dat het gerecht niet te diep is willen graven, Pol was een arme duivel, Constance zijn vrouw was een wasvrouw en Pauline was een bedrogen dochter, dan kwam het er niet zo op aan een schuldige te vinden. Zeker niet als die volgens geruchten uit leden van de burgerij konden komen, want een burgerij was er in Hellebeek en die had macht. Ik weiger te geloven dat ze de moorden bedekt hebben willen houden, maar ze konden er niet zeker van zijn dat een of meer van hun kinderen erbij betrokken waren en dat het beter was aan de touwtjes te trekken. Toen al.”

Lena Dewit deed ook haar verhaal. Zij had haar dienst op het kasteel opgezegd om bij weduwnaar Liebaert de sanitairhandelaar in het dorp dagmeid te gaan spelen. In de keuken bij Josephine Malfait, de kokkin van het kasteel, had ze geleerd wat ze moest weten om het huishouden bij Lieabert behoorlijk te doen. Ze had opgezegd omdat haar man Corneel Servaes zijn eisen had gesteld. Jaloers? Ja, maar niet op de baron, op Dolf Malfait, de zoon van Josephine, de hovenier van de baron en hoog in aanzien op het kasteel. Pauline Goethals was haar jongere maat op het kasteel. Ze herinnerde zich nog even goed als Lomme de moorden maar ze had de lijken van Pauline en haar ouders niet gezien. “Wij mochten niet in de buurt komen,” zei ze.

“En maar goed,” zei Lomme, “het was niet om aan te zien. Die lichamen, o gruwelijk, het staat hier in mijn hoofd gebrand. Maar er is iets dat ik mij nog herinner, waar niemand belangstelling voor had, de pers niet en ook niet die van het parket die mij daarna om een verslag hebben gevraagd. Het was mij opgevallen dat enkel de kamer van Pauline doorheen was gehaald. Alles lag onderste boven, het bed afgetrokken, de kasten leeggemaakt, de laden omgekeerd en op de grond gegooid, de kussens en de matras opengesneden, de kamer lag vol kapok en dons, de ingelijste herinneringsprent van haar plechtige communie en een prent met nimfen in een park van de muur gehaald en kapot geslagen, niets wat ze niet door hun handen hadden laten gaan.”
“Ze Lomme?”
“Het parket heeft de misdaden toegeschreven aan een bende die daar toevallig voorbijkwam.”
“Zo heb ik het ook gehoord en gelezen in oude kranten, die heb ik in de bibliotheek van Mechelen opgezocht,” zei Victor. “Geloof jij dat, Lomme?”
“Ik ben niet gek, een bende, ga lopen! Het gerecht heeft het onderzoek die draai gegeven om er vanaf te zijn! Het is iemand geweest van hier. Het was algemeen rond dat de baron je vader was en dus dacht iedereen dat Pauline geld van hem gekregen had om te zwijgen. En dan was ze een doelwit voor al wie op geld uit was.”
“Daar zijn ze op afgekomen. Een roofmoord dus,” zei Victor. “Dat zou deze vier uitsluiten, Lomme.” Hij ging in zijn tas en toonde hem de foto van zijn moeder verkleed als Roodkapje met vier jongemannen in wolf verkleed op een gemaskerd bal te Hellebeek. “Niemand was toen al zeker dat de baron mijn vader was.”
“Om hun toekomst te redden omdat zij van het vaderschap werden beschuldigd door Pauline, of voor het geld,” vroeg Lomme zich af. “Voor het geld, dat geloof ik niet, ze zijn alle vier van goeden huize.”
“Ze kunnen afgeperst zijn, door Pauline of haar vader, beschuldigd van vaderschap, die eisten geld om het stil te houden.”
“Daar geloof ik niets van,” zei Lena, “Ik zou eer hebben geloofd dat ze verkracht is geweest, er werd toen over gepraat, dan zou ze geld gekregen hebben om te zwijgen over wie het gedaan had, in groep dan.”
“Dat was pure laster, roddels,” zei Lomme, “daar is het gerecht niet op willen ingaan.”
“Was mijn moeder dan toch een meisje dat het niet te nauw nam met de goede zeden en zich door iedereen liet doen,” vroeg Victor, “dat zou veel kunnen verklaren.”
“Zo was je moeder niet,” zei Lena, “daarvoor heb ik ze te goed gekend, ze was geen slet, ze was een ernstig jong meisje.”
“Hadden ze mij op het onderzoek gelaten, ik zou niemand hebben gespaard. Ook de baron niet. Maar dat kon niet, ik was hulp-veldwachter en Staing wist niet wat hem te doen stond.”
“Je kon toen niet weten dat de baron mijn vader was, toen toch nog niet” zei Victor, “tenzij je een foto had van de baron als pasgeborene die je met mij in de wieg kon vergelijken.”
“In een dorp zijn er altijd geruchten en praatjes en mensen van het kasteel die niet kunnen zwijgen. Maar ik ging af op mijn gevoel, zoals elke goede politieman dat doet,” zei Lomme een beetje trots, “en het lag zo voor de hand. De kasteelheer met zijn huisbedienden.”
“Zoals de pastoor met zijn meid,” zei Lena, schoot in een schaterlach en zweeg toen niemand meedeed.

“Als jij er van uitging dat hij mijn vader was, had je meteen een motief. Had hij een alibi, Lomme?”
“Hoe kon ik dat weten? Ik ging er niet van uit dat hij je vader was, ik heb hem nooit die vraag mogen stellen. Dat was in handen van het parket, dat ging buiten mij om.”
“Het Roodkapje op de foto is mijn moeder Pauline. Ze had meegedaan aan de carnavalviering. Ze was achttien op het ogenblik dat de foto gemaakt is en toen droeg ze me al. Het kan zijn dat mijn moeder geprobeerd heeft een van die vier waar ze mee geslapen heeft van het vaderschap te beschuldigen, met het doel mijn echte vader te beschermen of geld los te krijgen.”
“Die vier gasten leven nog, ik ken ze veel beter dan jij ze kent,” zei Lomme, “dat zijn zware beschuldigingen jongen, mocht dat aan hun oren komen dan zetten ze er een advocaat op om je te vervolgen wegens laster, die heren hebben nog altijd de middelen om de beste advocaten te betalen.”
“Lomme, zo ver komt het niet. Ik beschuldig niemand, ik stel me alleen maar vragen. Ik onderstel en speculeer.”

Lena die de foto had zitten bekijken die Lomme haar had doorgegeven zei nu: “Ik ken ze ook, alle vier, wie zou ze niet kennen. Ik heb er nog mee gedanst. Vier jongens met veel air, toen al met veel jannenstreken en ze zijn zo gebleven. Het waren er die dachten dat iedereen voor hen moest plooien buigen of met hun pikkelen omhoog gaan liggen.”

Victor zei: “Ik mag dus aannemen dat die vier wolven op de foto met Roodkapje er voor niets tussen zitten. Tenzij mijn moeder, zoals ik heb gezegd, ze op een dwaalspoor heeft willen brengen.”
“Om ze geld af te troggelen,” zei Lena, “dat geloof je toch niet. Zo was Pauline niet. Ze sliep niet met de eerste de beste, zeker niet met een van die vier. En geld aftroggelen? Toen was er nog geen tv, op tv gaat het allemaal vanzelf.”
“Met wie heeft ze gelopen, Lena, jij kunt dat weten.”
“Met Louis Wouters. Dat bleef bij dansen in het dorp met de kermis en hij mocht haar naar huis brengen. Maar Pauline was slim genoeg om te weten dat hij en de andere rokkenjagers er zuiver op uit waren het met iemand als zij te kunnen doen, om levenservaring op te doen zoals die smeerlappen dat noemden, maar trouwen beneden hun stand of hun fortuin, daar kon geen sprake van zijn.”
“Mijn stand was dus te min voor dat soort volk,” zei Victor, “maar de tijden zijn veranderd, het dorpsleven is niet meer wat het is geweest.”
“Wie treurt daarom,” zei Lena, “ik ben nog in mijn stand getrouwd, met Corneel. Ik zou het niet mogen zeggen maar ik heb later betere kansen gehad. In deze nieuwe tijd zou ik niet meer twijfelen.”
“Ik weet wat je bedoelt,” zei Lomme.
“Hoe kan dat, het was mijn geheim.” Ze wist dat hij zinspeelde op weduwnaar Liebaert waar ze jarenlang dienstbode was geweest, maar niet inwonend.

“Wat ga je met die foto verder doen? Die mannen ondervragen? Of hun ouders lastig vallen, die zijn dood of gaga, als ze niet hier in Zilverschoon zijn zitten ze thuis naar de sterren te kijken zonder te beseffen wat ze zien.”

“Ik ga niets doen,” zei Victor Goethals, “wat dacht je, dat ik detective wou gaan spelen? Ik wou er eens over praten met mensen die jong waren samen met Pauline. Bij de schoonmaak zijn die foto’s voor de dag gekomen, ik weet zo weinig van mijn moeder en met wie kan ik er anders over praten dan met mensen als jullie. Jou en Lena vind ik geschikte mensen om over mijn afkomst te spreken. Mane zwijgt erover in alle talen, hij is mijn vader zegt hij en Ida herhaalt altijd maar hetzelfde.”
 
De volgende foto uit de portefeuille van Victor was een de foto genomen rond 1937 voor het kasteel van het Hof ter Wolvendonck. Baron René de la Chooze stond in het midden tussen Pauline en Lena, die nu naast hem zat. Lena bekeek het kiekje.
“Toen zag ik er nog goed uit,” zei ze met enige trots.
“Ook nu nog,” zei Lomme met een knipoog naar Victor.

Goethals pakte een derde foto. Die toonde Pauline met Lena, arm in arm op de IJzeren Leen in Mechelen, hij herkende het stadsgezicht, hij was er meer dan eens geweest. Op de foto was Pauline ongeveer zo oud als op de carnavalfoto. Ze droeg een jurk en zijden kousen en haar haar was opgemaakt, geen kniekousen meer of een zedige strik in sluike haren. Om haar hals droeg ze een halssnoer dat er uitzag als van goud met edelstenen, het halssnoer dat in de schoendoos lag en dat hij nu bij zich had in zijn tas. Hij vroeg Lena of zij zich de foto herinnerde.

“Ik heb zelf ook die foto,” zei Lena. “We zijn naar Mechelen geweest om naar de winkels te kijken en om de waarde van haar halssnoer te laten schatten.”
“Dit,” vroeg Victor en hij haalde het halssnoer uit de tas.
“O, jij hebt dat? Het is dus niet gestolen. Mooi hé? Ze had het gekregen van baron René. Een soort aandenken.”
“Of beloning,” zei Victor met een bittere trek, “het lijkt me niet veel waard, een juweel uit de grabbelton.”
“Niet waar, het is van zuiver goud, het is veel waard, het is heel veel waard,” zei Lena. “En de steentjes zijn diamanten. Dat heeft de juwelier ons gezegd.”
“Had zij dat zomaar van de baron gekregen?”
“Waarom niet? Ze lag in zijn gratie.”
“Vond de juwelier het niet vreemd dat twee meisjes van nog geen achttien in het bezit waren van een halssnoer dat heel veel geld waard was?”
“Dat zal wel,” zei Lena, “want hij vroeg de pas van Pauline, schreef die over en toen leek hij gerustgesteld. Dan kon hij haar altijd terugvinden.”

Victor borg het snoer weer op en haalde nu een paar handschoenen in een kartonnen verpakking uit zijn aktetas.
“O die ken ik, die komen nog van mij,” zei Lena geroerd, “het arme kind heeft ze amper een paar keer gedragen. Ze zitten nog in de geschenkverpakking.”
“Ja, maar die is beschadigd, van binnen stukgescheurd, kijk de binnenbekleding van de doos is losgetrokken. Toen maakten ze nog mooie dozen, dure dozen, iemand zal gedacht hebben dat er geld in verborgen was. Er werd gezegd dat mijn grootvader Pol op zoek was naar het geld dat ze zou gekregen hebben om te zwijgen. Had ze dat?”
“Erg vrijgevig was de baron niet,” zei Lena, “maar een halssnoer uit het erfgoed van zijn familie kon er misschien wel af, al heeft het hem zeker zeer gedaan.”

Lomme zei: “Je moeder heeft een tijd met Louis Wouters gelopen, die Louis scheen zich van standenverschil niet veel aan te trekken, van huis uit waren het kleermakers. Het begon op verkering te lijken en opeens gingen ze uiteen. Een aantal maanden later ben jij geboren. Wat was er aan de hand, denk je? Pauline werkte bij de baron. Men beweerde dat de baron de jonge meisjes niet met rust kon laten. Ik geloof dat niet. Ik kwam nogal eens op het kasteel voor allerlei zaken, optreden tegen stropers bijvoorbeeld. Dan bood de baron mij een borrel aan en we maakten een praatje. Pauline kwam ons die borrel inschenken. Ik zag hem haar nakijken, die kerel was verliefd op dat mooie ding. Hij liet het me ook verstaan. Die kan pensen maken met haar ogen, zei hij, en met zo’n lijf kan ze met een hele rijke trouwen. Het zou spijtig zijn dat zo’n schoonheid op de mesthoop zou terechtkomen. Dat zei de baron.”

“Wat weet je nog, Lomme?”
“Van horen zeggen veel,” zei Lomme. “De baron zou gedreigd hebben Pauline en haar ouders uit hun huisje aan de Deel te zetten als ze niet met hem sliep. Maar dat geloof ik evenmin.”
“Zou de baron de moordenaar van mijn moeder kunnen zijn. Om de sporen van zijn vaderschap uit te wissen. Maar waarom heeft hij mij dan laten leven? En heeft hij haar dat halssnoer gegeven, een erfstuk.”

Lomme schudde zijn hoofd en zei: “Vaderschap kon toen nog gemakkelijk ontkend worden, zeker door grote heren. En de baron had niet het gestel om drie mensen op die manier om te brengen. Het moet iemand geweest zijn die op buit uit was. Iemand moet gedacht hebben dat Pauline geld gekregen had om haar kind groot te brengen of zwijggeld, waar Pol het over had als hij gedronken had. Zelfs als het niet waar was wat Pol uitkraamde, kon iemand het gehoord hebben en er zich meester willen van maken, dan in huis betrapt, herkend en het vervolg kennen we. De dader of daders zijn op zoek geweest naar geld, maar ze wisten niet dat het halssnoer een fortuin waard was en hebben het laten liggen. Het moet daar open en bloot gelegen hebben, ze moeten gedacht hebben dat een jong meisje geen dure spullen kon bezitten, wat waardeloze prullen, verguld koper, daar wilden de rovers zich niet mee verraden. Ik was niet bij het onderzoek betrokken, dat was werk voor de moordbrigade van de gerechtelijke politie. De mogelijke rover moet gedacht hebben dat Pauline geld gekregen had om haar kind groot te brengen en geen waardeloze halsketting.”

“Waar lag het halssnoer, Lomme en waar lagen de handschoenen,” vroeg Victor.
“Het halssnoer lag in de lade van het nachtkastje en de handschoenen op de grond, naast het doosje. Ze zochten naar iets op de kamer van Pauline, geld, waar konden ze het anders op gemunt hebben?”
“Hoe zag de kamer van Pol en Constance eruit?”
“Ik heb het al gezegd, waarschijnlijk is daar niemand binnen geweest. Het bed was nog opgemaakt. Ze lagen nog niet in hun bed, ze hadden hun kleren nog aan, geen van de drie lijken lag in zijn eigen slaapkamer. Ook de stapels wasgoed hebben ze niet aangeraakt omdat ze wisten dat daar onmogelijk iets in kon verborgen zitten, dat wasgoed werd binnen de week afgehaald.”
“Dus geen passionele moord, geen moord om Pauline te doen zwijgen en hun naam en eer te redden, maar een doodgewone roofmoord”
“Een roofmoord is nooit doodgewoon. Ik heb altijd presumptie gehad maar durfde er niet mee voor de dag komen.”
“Wie zou jij dan ondervraagd hebben?”
“Al wie de dag van de moord naar het huisje was afgezakt om iets te zien te krijgen. Iedereen weet toch dat de moordenaar terugkeert naar de plaats van de misdaad.”
“In misdaadromans is dat zo,” zei Victor.
Lomme liet zich niet afleiden. “Dolf Malfait de hovenier van het kasteel is ook komen kijken. Het kasteel beschouwde Dolf  als iemand van de familie. Ik kon niet in zijn buurt komen, zeker niet om hem te ondervragen, ik had geen enkele bevoegdheid in die moordzaak.”

“Dolf Malfait,” zei Lena, “die heeft nog achter mij gelopen en achter Pauline, maar hij kon ons niet krijgen. Wij vonden hem nogal een rare, geen kwade, maar niet iemand om mee te trouwen.”
“Dat was Corneel feitelijk ook niet,” zei Lomme.
“Weet ik,” zei Lena, “ik had misschien nog beter Dolf genomen, maar een leven verloopt niet altijd zoals je dat zou willen.”

Dolf Malfait de tuinman van het rusthuis, altijd overal aan het luistervinken, stond een tiental meter van hen vandaan met een spade de rand van de aardeweg bij te werken. Dolf was de zoon van Josephine Malfait, die haar leven lang op het kasteel in de keuken had gestaan. Dolf, die vanaf zijn geboorte op het kasteel had gewoond, was nu met pensioen, was vrijgezel gebleven, had zijn kamer in het rusthuis mogen houden deed klusjes in de tuin van het vroegere landgoed, nu in dienst van de gemeente die hem een kleine vergoeding betaalde voor zijn werk.

Lena deed teken om tot bij hen te komen. Ze vroeg Victor hem het halssnoer van Pauline te tonen en zei: “Heb je Pauline dit nog weten dragen? Ze had het van René van het kasteel gekregen voor haar verjaardag, een stuk van veel geld.”
“Veel geld,” zei Dolf stomverbaasd, “die halsketting! Iedereen zei dat het een stuk was uit het zaagmeel maar dat ze wel een pak geld gekregen had om te zwijgen over wat iedereen wist. Maar de stomme trut wilde geen geld aannemen, ze had genoeg aan dat stomme prul van een halsketting waar ze kinderen blij mee kunnen maken. Meer is in haar kamer niet gevonden.”

Lomme keek verrast op en stapte in zijn oude rol van politieman: “Waar haal je dat vandaan,” vroeg hij. “Ik mocht je niet ondervragen, dat was weggelegd voor de rechercheurs, maar ik heb wel hun verslagen mogen inkijken. Ik kan je nu wel zeggen dat er geen geld is gevonden, als er dat geweest was, was de moordenaar er mee weg. Maar hoe kon jij weten dat er niets is gevonden?”
“Lomme heeft mij verteld dat jij naar de plaats van de misdaad bent komen kijken en men zegt dat misdadigers terugkeren naar de plaats van de misdaad,” zei Goethals die een tijd gezwegen had.
“Kom zeg,” zei Dolf, “dan stonden er meer dan honderd misdadigers, van groot tot klein. En ik had een alibi voor die dag.”
“Daar heb ik niet om gevraagd,” zei Lomme, “Dolf, maar nu je er zelf over begint, zomaar voor de gein, waar was jij de avond dat Pol, Constance en Pauline werden omgebracht. Zowat iedereen in het dorp is op de rooster gelegd, wat wist jij te vertellen?”
“Dat ik thuis was,” zei Dolf.
“Jij weet dat nog zo goed?”
“De politie heeft mij toen verhoord. Ze vroegen een alibi.”
“Dat vroegen ze iedereen,” zei Lomme.
“Waar haal je dat woord alibi vandaan,” vroeg Victor.
“Ik heb het onthouden. Ze hebben het mij uitgelegd.”
“Bij wie was je die avond, iedereen kan zeggen dat hij thuis was,” drong Lomme aan.
“Ik was op het kasteel, dat was mijn thuis, ik was in het park bezig, als altijd.”
“Het is in de nacht gebeurd, Dolf. En heeft de baron verklaard dat hij je daar in zijn park heeft gezien?”
“Dan was ik op mijn kamer. Ik had een alibi, de baron heeft daarvoor gezorgd, en daarmee uit.”
“Ja natuurlijk, je had bij Pol niets verloren.”

Lena kwam plots tussen: “Je was zot van Pauline, we hadden het daarnet nog over.”
“Wie was dat niet,” zei Dolf.
“Je kon haar niet krijgen.”
“Niemand kon haar krijgen, ik wel, als de rijken het beu waren met haar te spelen. Met een voorkind geraakte ze niet zo gemakkelijk meer van de straat. En met het geld dat ze had gekregen konden we een tijdje verder.”
“Hoe ben jij er achter gekomen dat Pauline geld was toegestopt door de baron,” vroeg Lomme, “toch niet door die praatjes van haar vader Pol.”
“Niemand geloofde zatte Pol. Ik had Pauline en Lena afgeluisterd. Pauline zei dat ze een schat gekregen had. Wat kon het anders zijn dan geld, een baron geeft geen erfstukken aan een meid.”
“Je wist dat ze een halssnoer gekregen had?”
“Natuurlijk, ze droeg het. Kinderen kun je blij maken met een dode mus.”
“Daarom heb je het laten liggen toen je haar kamer overhoop hebt gehaald op zoek naar het geld?”
“Er was geen geld. Had ik geweten wat de collier zoveel waard was.” Hij zweeg plots.
“Dan was het de moeite waard geweest drie mensen om te brengen,” zei Lomme, “hoe ben je zo stom kunnen zijn.”. 
“Ik was niet stom, zij was stom,” zei Dolf, “had ze mij gezegd dat het ding zoveel waarde had, het lag open en bloot op het nachtkastje. Met het geld daarvan had Pauline met mij een goed leven kunnen hebben. Met een voorkind had ze niet te kiezen en met mij zou ze een goed leven kunnen hebben, samen op het kasteel.”
“En de baron uitmelken,” zei Lomme.
“Met het geld in handen kon ik alle kanten op en als die trut mij niet wilde kon ik zonder haar mijn weg gaan.”

Dolf Malfait haalde zijn schouders op, hij besefte dat hij teveel had gezegd. “Voorts ga ik zwijgen,” zei hij, “straks maken jullie er een bekentenis van. Ik beken niets, je kunt mij niets doen, ik heb gezegd dat er geen geld lag op haar kamer, meer niet, en nu hoor ik van jullie dat de collier veel geld waard is, waarom zou ik achter speelgoed gaan? En ik heb het alibi van baron René, het is zo opgenomen in het onderzoeksverslag en de baron is dood, daar valt niets meer aan te veranderen.”

Lomme stelde geen verdere vragen, Dolf Malfait keerde zich om en liep terug naar zijn karwei, de onverschilligheid zelf, naar de parkweg die hij aan het bijwerken was. Was hij zich bewust van het feit dat hij zich had verpraat of was hij ervan overtuigd dat ze hem niets konden doen want hij had een alibi, daar had de overleden baron voor gezorgd. En hij kon altijd zeggen dat hij wist wat iedereen wist over de toestand in de kamer van Pauline zoals Lomme die had vastgesteld.

“Heb ik daar geen bekentenis van een drievoudige moord gehoord, Lomme, kun jij niets doen,” vroeg Victor Goethals ontsteld, “je hebt twee getuigen, met jou erbij drie.”
“De feiten kunnen verjaard zijn, maar hij moet aangeklaagd worden en de feiten openbaar gemaakt. Het forensische materiaal bestaat misschien nog. Als ze het dossier heropenen wordt hij mogelijk niet vervolgd maar dan kunnen veel geruchten en verdachtmakingen uit de wereld worden uitgeholpen. Dan gaat iedereen vrijuit, wijlen de baron en iedereen die ooit belasterd is geweest, en jij bent er zeker van dat de man die je gemaakt heeft niet de moordenaar is van je moeder,” besloot Lomme.
“Dat is al iets,” zei Victor.
“Dat is heel veel,” zei Lena.
“Kom mij niet vertellen dat je op een passionele moord hebt gerekend, doodslag uit jaloerse liefde voor je moeder. Een van de rijken uit het dorp of de baron die jaloers was omdat ze zich met de jongemannen uit het dorp ophield en haar uit wanhoop of wraak de keel doorsneed. Drama, drama, geen moord om geld maar passie.”
“Als je dat denkt,” zei Victor, “zou je hier naast een geesteszieke zitten. Een passionele moord zou natuurlijk groot nieuws zijn geweest, maar mijn moeder is slachtoffer van een roofmoord, een geval van vulgaire, doodgewone, dagdagelijkse hebzucht, het chronische kwaaltje sinds Kain en Abel dat nog in alle eeuwigheid buren, families, vrienden en volkeren bloed zal kosten. Dat maakt mij bang.”
“Je ziet het veel te groot”, zei Lomme, “het leven is de Bijbel niet.”

 Ze bleven nog lange tijd op de bank zitten, in gedachten verzonken tot Lomme zei: “Ik zal zien wat ik kan doen om Dolf te stroppen, ik ken wel iemand.”


10. ONBEKENDE DADER


Op een ochtend in augustus raasde de verschrikkelijke mare van een drievoudige moord door het dorp, als een lopend vuur achter de ketelwagen van de petrolboer. Pol, Constance en Pauline Goethals waren dood en badend in hun bloed aangetroffen in het huisje aan de Deeldijk. Pol lag in de huiskamer, afgemaakt met bijlslagen, Constance was in het schotelhuis de schedel ingebeukt met een melkstoop en hun ongehuwde dochter Pauline, die op het kasteel had moeten zijn, was tot in het schuurtje gevlucht, had nog geprobeerd op de ladder naar de hooitas te klimmen, maar was daar gepakt en lag met doorgesneden keel aan de voet van de ladder in een plas geronnen bloed naast het moordwapen: het blad van een zeis. In doodskramp hield ze haar gebalde vuisten tegen haar onbarmhartige God gekeerd. Uit de wanorde bleek dat de slachtoffers hard voor hun leven hadden gevochten. Louter de zuigeling in het wiegje was ongedeerd gebleven. Hij lag te krijsen van honger en aangetrokken door dat gekrijs had de postbode de voordeur opengestoten. Hij had vanaf de brug gezien dat er wat scheelde. Het was maandag en hij was bewoner en gezinshoofd Pol Goethals niet tegengekomen op weg naar de brouwerij waar hij werkte, had Constance niet op het erf gezien, de bezem stond naast de deur en hij had het kindje van Pauline horen huilen van honger van op de plaats waar hij stond. De deur stond aan, hij klopte, keek naar binnen, zag Pol liggen, was op de andere lijken uitgekomen en was, met zijn posttas onder een arm gekneld, naar het dorp gerend naar de hoofdveldwachter Staing Van Steen. Die had zijn hulpveldwachter Lomme Vertommen uitgestuurd, Staing had in zijn leven genoeg bloed gezien en voor Lomme was het de vuurproef. De postbode was er een week lang niet goed van en om niet gek te worden van wat hij had gezien dronk hij veel meer pinten bier dan we van een postbode gewoon zijn.

Het parket deed de nodige vaststellingen, spande zich naar we mogen aannemen tot het uiterste in om toch maar een tip van de sluier op te lichten, maar bereikte niets. De misdaden geraakten nooit opgehelderd, de dader of daders nooit ontmaskerd. Ondervraging van omzeggens de hele dorpsgemeenschap, ontleding van bloedspatten, metingen, afgietsels van voetsporen van de onbekende daders, foto’s van de lichamen op de plaats van het vergrijp, het werd een lijvig dossier maar ze vonden niets, hadden geen been om op te staan. Moord om de familie het zwijgen op te leggen zodat de naam van de vader van het kind niet aan het licht zou komen en zo een prominente familie in opspraak brengen of de mooie toekomst van een beloftevolle jongeman breken, werd niet als motief aanvaard. Er was geen poging gedaan om door middel van vergelijking van bloedgroepen een beeld te krijgen van de natuurlijke vader van het kind, de erfelijkheidsleer stond toen nog niet veel verder dan de erwten van Gregor Mendel en met vingerafdrukken hadden ze even weinig op als Hercule Poirot. Evenmin werden de jongelieden die met Pauline kort of lang hadden geflirt aan een lijfonderzoek onderworpen om te zien of ze geen schrammen, beten of andere letsels hadden opgelopen die ze niet konden verklaren. Ook het doen en laten van baron René de la Chooze van het kasteel Hof ter Wolvendonck werd niet nagetrokken. Dat was allemaal te ver gezocht, te onzeker en zou een onschuldige in een verkeerd daglicht hebben gesteld, hen een slechte naam bezorgen waar ze nog moeilijk vanaf zouden komen.

In het dorp gonsde het een paar weken van geruchten, maar de tongen kwamen niet echt los, hoofdzakelijk omdat niemand iets wezenlijks had te verklaren. Natuurlijk niet, ze hadden alles van horen zeggen of uit krantenberichten van journalisten die zelf op geruchten waren afgegaan. Met wie Pauline de laatste tijd meeliep was algemeen geweten, maar geen die het luid zei, uit vrees een proces te worden aangesmeerd wegens laster. En zoals overal en altijd waren er die geheimzinnig deden maar nog minder wisten dan de pasgeboren baby in zijn wiegje. Iemand had het kunnen weten, de pastoor als de dader zo idioot was geweest bij hem zijn biecht te spreken. De herder was zogezegd gebonden aan het biechtgeheim, maar wie geloofde daar nog in. Wie het zeker wist was de schuldige zelf, maar vanzelfsprekend zweeg die als vermoord.

Het was mogelijk dat een man alleen de drie moorden had gepleegd. De spreiding van de lijken in het huis leek erop te wijzen dat de moordenaar zijn slachtoffers had achterna gezeten en ze een na een in zijn moordlustige greep gekregen had. Het kon ook dat hij een of meer medeplichtigen had, dus min of meer een bende. De rechercheur die op een spoor zat, een draadje van het kluwen leek te hebben losgepeuterd, althans volgens de overlevering, was van het onderzoek afgehaald, weggeroepen voor andere, niet nader toegelichte vaderlandse taken. De hele zaak werd uiteindelijk officieel afgedaan als roofmoord, gepleegd door een rondtrekkende bende. Wat voor buit een roversbende bij Pol Goethals op het oog hebben kon, was onduidelijk en waarom ze in de streek slechts één overval pleegde en dan nog op een arm gezin van een dronkaard, bleef even duister. Het konden Duitse spionnen geweest zijn, die zaaiden onrust in heel het land en Pol had ze misschien betrapt in de nabijheid van de transmissiebunker op de dijk. Waren er zigeuners in de buurt geweest, dan zouden die het gedaan hebben, er liep van alle soorten volk rond, men kon het niet gek genoeg bedenken. De mensen zeiden dat het deksel perfect op de doofpot paste, de mensen zeiden zoveel. Na maanden stilde de beroering in het dorp, de kranten schreven er niet meer over en geleidelijk namen andere onderwerpen van gesprek zoals het gekibbel tussen Hitler, Daladier en Chamberlain over stukken grondgebied waar ze op de keper beschouwd geen zeg over hadden, de bovenhand.

De pasgeborene was op wonderbaarlijke wijze aan de moordpartij ontsnapt, een baby ombrengen was een koud kunstje, of had de moordenaar hem willen sparen om zijn kind van op afstand te zien opgroeien. Dat zou wijzen op één enkele moordenaar en geen onbekende. Het wichtje was in een klap zijn moeder en zijn grootouders kwijt, het was niet zeker of de vader nu nog in leven was of later een natuurlijke, liefst vreselijke dood was gestorven. Er was geen zelfmoord of ontijdige verdwijning gemeld, de laffe verwekker van het kind had zich nooit bekend gemaakt.

Na de moorden bleef het huisje aan de Deel vele jaren lang een verlaten, verdoemde plek, het stond meer dan veertig jaar leeg, alleen zwerfkatten en vampiers bezochten nog de bouwval, zelfs vrijers die met hun lief thuis niet binnen mochten bleven er weg. Het stond daar invallens, het gebinte verrot, de dakpannen aan het verschilferen, tot het gemeentebestuur, dat de boel had gekocht van baron René de la Chooze, maar er lange tijd niets mee had gedaan, de woning enige jaren geleden had laten herstellen en woonklaar maken. Het had een nieuw rood pannendak, nieuw groen en wit geverfde deuren, ramen en blaffeturen gekregen. De eerste bewoners van het vernieuwde huisje op de dijk was Melanie Vloeberghs, een weduwe die het niet te breed had en een kleine huur betaalde. Het huisje aan de Deel had van Victor Goethals, de baby uit het levensverhaal van Pauline, later de naam Villa Lievevrouwebedstro gekregen, de naam was hem ingegeven door de kleuren van de verf en door de aard van de bewoonster, maar daar is eer al dieper op ingegaan.

Victor Goethals zat op zijn fiets en reed over de Deeldijk naar rusthuis Zilverschoon om het aangenaamste deel van zijn dagtaak daar te vervullen. Puur in de natuur, had hij tijd om na te denken. Hij zat met heel veel vragen in verband met de dood van zijn moeder en heel weinig antwoorden. Er hadden zich in veertig jaar slechte en goede dingen voorgedaan, de meeste daarvan vergeten en vergeven. Het vrat al een tijd aan zijn geweten dat hij nooit wat ondernomen had om klaarheid te brengen in de zaak van de moord op zijn moeder. Het stond vast dat Pauline Goethals zich een keer had gegeven, anders reed de Fikker hier nu niet op de dijk, boven de veertig, zijn buik te dik in verhouding tot zijn lengte. Van jeugdvriendinnen van Pauline wist Victor dat zij niet sliep met iedereen die zich meldde, ze flirtte wel wat af maar de jongelieden die dachten dat zij de man waren en haar naar huis brachten moesten keer na keer zeer tot hun ongenoegen onverrichter zake afdruipen en terugkeren naar het bal of café waar ze haar hadden opgepikt en dan maar opscheppen. Als het zo gegaan was, wisten zij die als gegadigden werden aangezien voor het vaderschap van een voorkind, dat zij niet de vader konden zijn en ze hadden bijgevolg geen motief om Pauline om te brengen en hun naam en toekomst te redden. Wie de vader was, had de moorden kunnen plegen, of laten plegen, met het inzicht zijn sociale status niet te schaden. Naar wie zijn vader was hoefde Victor niet meer te zoeken, dat was de baron, dat stond zo goed als vast, ook biologisch als de gelijkenis er niet om loog. Maar het was weinig waarschijnlijk dat de baron handlangers of huurlingen had uitgezonden om zijn moeder om te brengen en het vaderschap geheim te houden, gezien zijn stand hoefde hij zich dat in die tijd niet aan te trekken. Trouwens, het eenvoudigste was geweest uitsluitend de baby om te brengen, een kussen en het was zo gepiept. Iemand moest hem laten leven hebben om zo de verdenking van zich af te schuiven, niet zijn vader dus. Van toen hij bijna absolute zekerheid had dat baron René de la Chooze zijn natuurlijke vader was, had Victor Goethals zich toch niet van het onheimelijke vermoeden kunnen ontdoen dat baron René zaliger de moordenaar was van zijn moeder en grootouders, met als motief zijn adellijke stam de schande van een buitenechtelijk kind bij straatarme mensen om niet te zeggen schooiers, te besparen. Het kon altijd. Maar het kon ook iemand anders geweest zijn, niet de vader, een onbekende dader kon het kindje laten leven hebben omdat hij mocht verwachten dat later zou blijken wie de vader was en dus de vermoedelijke dader, zodat aan hem niet meer zou worden gedacht. Goethals hield het bij die laatste overweging, zijn vader als moordenaar was geen al te frisse referentie. Een hele brok onderstellingen om mee door het leven te gaan en Victor vreesde dat ze op los zand waren gebouwd. Lena, destijds de beste vriendin van zijn moeder die ook had gediend op het kasteel van de baron, had hem verzekerd dat Pauline het niet met iedereen deed, maar zij kon gelogen hebben om de naam van zijn moeder in ere te houden, van de doden niets dan goed. Wie het ook gedaan mocht hebben, hij gunde de moordenaars een gewetensprobleem zo groot als een kathedraal, dat dag en nacht, nuchter of zat in hun hoofd etterde en dat elke morgen bij het ontwaken hun oorkussen geel en groen zag van de pus die uit hun oren was gedropen. Nu, meer dan veertig jaar na de feiten, kreeg Victor Goethals een groot verlangen eindelijk de waarheid te onthullen.

Na de routinetaken op zijn kantoortje in het rusthuis Zilverschoon te hebben afgehandeld of opzij gelegd had Goethals Lomme Vertommen, de oude veldwachter die in het home van een welverdiende rust genoot, en Lena Dewit, de jeugdvriendin van zijn moeder, eveneens een logé van het rusthuis, gevraagd om samen te komen in het park en te praten over zijn moeder. Ze gingen zitten op een bank bij de vijver, Victor had plaats genomen tussen de beide nog flinke oudjes. In een tas had hij al de gedenkstukken van zijn moeder meegebracht.

Waar gaat het over, jongen,” vroeg Lomme.
“Mijn moeder,” zei Victor,
Wat hebben ze haar en jou toch aangedaan, Fikker,” zei Lena. “Ik zou razend zijn en nooit nog iemand willen helpen.”
“Zo ben ik niet gemaakt en Ida en Mane zijn goede pleegouders voor mij geweest. Ik heb geen klagen gehad, ze zijn mijn ouders en daarmee uit. Ik ben op zoek naar de moordenaar van Pauline, van haar die mij op de wereld heeft gezet. Ik heb gesproken met mensen met wie ze haar plechtige communie heeft gedaan, ik hoopte dat ze mij op een spoor hadden kunnen zetten.”
“Die weten van niets,” zei Lomme Vertommen, “nog minder dan ik en ik ben er bij geweest.” Hij zei het met een zekere trilling in zijn stem alsof het pas gebeurd was: “Ik was er als een van de eersten bij toen de moorden ontdekt werden, de eerste politieman om in het huisje en bij de lijken de vaststellingen te doen. Zoiets had ik nooit eerder meegemaakt, zoiets vergeet een mens van zijn leven niet.”

Hij vertelde wat hij had gezien: “De postbode, hoe hij heette weet ik niet meer, had de lijken gevonden en was zo hard hij kon naar het dorp gesjeesd om ons op het gemeentehuis te verwittigen. Staing de brigadier stuurde mij erop af. In de woonkamer lagen de lijken van Pol en Constance, de kleine lag in de wieg te schreien van honger. Hun dochter, je moeder Pauline, ongehuwd zoals je weet, vond ik in het schuurtje bij de ladder naar de hooitas. Die moorden waren de ergste feiten die ik in mijn leven ben tegengekomen en ik heb wat meegemaakt. Ik deed de eerste vaststellingen als hulpgarde, daarna is er meer volk gekomen om de nieuwsgierigen op afstand te houden, daar had Staing Van Steen voor gezorgd. Die wilde het liever niet zien en hij liet mij begaan. Het parket stapte ter plaatse af, moord viel niet onder de bevoegdheid van een veldwachter en sporen heb ik niet uitgewist, ik wist wat ik deed. De rechercheurs uit de stad hebben de dader of daders nooit gevonden. Ik heb zoveel het kon het speurwerk van nabij gevolgd maar tot op heden ben ik ervan overtuigd dat niet genoeg werd gedaan. Ik heb altijd vermoed dat het gerecht niet te diep is willen graven, Pol was een arme duivel, Constance zijn vrouw was een wasvrouw en Pauline was een bedrogen dochter, dan kwam het er niet zo op aan een schuldige te vinden. Zeker niet als die volgens geruchten uit leden van de burgerij konden komen, want een burgerij was er in Hellebeek en die had macht. Ik weiger te geloven dat ze de moorden bedekt hebben willen houden, maar ze konden er niet zeker van zijn dat een of meer van hun kinderen erbij betrokken waren en dat het beter was aan de touwtjes te trekken. Toen al.”

Lena Dewit deed ook haar verhaal. Zij had haar dienst op het kasteel opgezegd om bij weduwnaar Liebaert de sanitairhandelaar in het dorp dagmeid te gaan spelen. In de keuken bij Josephine Malfait, de kokkin van het kasteel, had ze geleerd wat ze moest weten om het huishouden bij Liebaert behoorlijk te doen. Ze had opgezegd omdat haar man Corneel Servaes zijn eisen had gesteld. Jaloers? Ja, maar niet op de baron, op Dolf Malfait, de zoon van Josephine, de hovenier van de baron en hoog in aanzien op het kasteel. Pauline Goethals was haar jongere maat op het kasteel. Ze herinnerde zich nog even goed als Lomme de moorden maar ze had de lijken van Pauline en haar ouders niet gezien. “Wij mochten niet in de buurt komen,” zei ze.

“En maar goed,” zei Lomme, “het was niet om aan te zien. Die lichamen, o gruwelijk, het staat hier in mijn hoofd gebrand. Maar er is iets dat ik mij nog herinner, waar niemand belangstelling voor had, de pers niet en ook niet die van het parket die mij daarna om een verslag hebben gevraagd. Het was mij opgevallen dat enkel de kamer van Pauline doorheen was gehaald. Alles lag onderste boven, het bed afgetrokken, de kasten leeggemaakt, de laden omgekeerd en op de grond gegooid, de kussens en de matras opengesneden, de kamer lag vol kapok en dons, de ingelijste herinneringsprent van haar plechtige communie en een prent met nimfen in een park van de muur gehaald en kapot geslagen, niets wat ze niet door hun handen hadden laten gaan.”
“Ze Lomme?”
“Het parket heeft de misdaden toegeschreven aan een bende die daar toevallig voorbijkwam.”
“Zo heb ik het ook gehoord en gelezen in oude kranten, die heb ik in de bibliotheek van Mechelen opgezocht,” zei Victor. “Geloof jij dat, Lomme?”
“Ik ben niet gek, een bende, ga lopen! Het gerecht heeft het onderzoek die draai gegeven om er vanaf te zijn! Het is iemand geweest van hier. Het was algemeen rond dat de baron je vader was en dus dacht iedereen dat Pauline geld van hem gekregen had om te zwijgen. En dan was ze een doelwit voor al wie op geld uit was.”
“Daar zijn ze op afgekomen. Een roofmoord dus,” zei Victor. “Dat zou deze vier uitsluiten, Lomme.” Hij ging in zijn tas en toonde hem de foto van zijn moeder verkleed als Roodkapje met vier jongemannen in wolf verkleed op een gemaskerd bal te Hellebeek. “Niemand was toen al zeker dat de baron mijn vader was.”
“Om hun toekomst te redden omdat zij van het vaderschap werden beschuldigd door Pauline, of voor het geld,” vroeg Lomme zich af. “Voor het geld, dat geloof ik niet, ze zijn alle vier van goeden huize.” “Ze kunnen afgeperst zijn, door Pauline of haar vader beschuldigd van vaderschap, die eisten geld om het stil te houden.”
“Daar geloof ik niets van,” zei Lena, “Ik zou eer hebben geloofd dat ze verkracht is geweest, er werd toen over gepraat, dan zou ze geld gekregen hebben om te zwijgen over wie het gedaan had, in groep dan.”
“Dat was pure laster, roddels,” zei Lomme, “daar is het gerecht niet op willen ingaan.”
“Was mijn moeder dan toch een meisje dat het niet te nauw nam met de goede zeden en zich door iedereen liet doen,” vroeg Victor, “dat zou veel kunnen verklaren.”
“Zo was je moeder niet,” zei Lena, “daarvoor heb ik ze te goed gekend, ze was geen slet, ze was een ernstig jong meisje.”
“Hadden ze mij op het onderzoek gelaten, ik zou niemand hebben gespaard. Ook de baron niet. Maar dat kon niet, ik was hulpveldwachter en Staing wist niet wat hem te doen stond.”
“Je kon toen niet weten dat de baron mijn vader was, toen toch nog niet” zei Victor, “tenzij je een foto had van de baron als pasgeborene die je met mij in de wieg kon vergelijken.”
“In een dorp zijn er altijd geruchten en praatjes en mensen van het kasteel die niet kunnen zwijgen. Maar ik ging af op mijn gevoel, zoals elke goede politieman dat doet,” zei Lomme een beetje trots, “en het lag zo voor de hand. De kasteelheer met zijn huisbedienden.”
“Zoals de pastoor met zijn meid,” zei Lena, schoot in een schaterlach en zweeg toen niemand meedeed.

“Als jij er van uitging dat hij mijn vader was, had je meteen een motief. Had hij een alibi, Lomme?”
“hoe kon ik dat weten? Ik ging er niet van uit dat hij je vader was, ik heb hem nooit die vraag mogen stellen. Dat was in handen van het parket, dat ging buiten mij om.”
“Het Roodkapje op de foto is mijn moeder Pauline. Ze had meegedaan aan de carnavalviering. Ze was achttien op het ogenblik dat de foto gemaakt is en toen droeg ze me al. Het kan zijn dat mijn moeder geprobeerd heeft een van die vier waar ze mee geslapen heeft van het vaderschap te beschuldigen, met het doel mijn echte vader te beschermen of geld los te krijgen.”
“Die vier gasten leven nog, ik ken ze veel beter dan jij ze kent,” zei Lomme, “dat zijn zware beschuldigingen jongen, mocht dat aan hun oren komen dan zetten ze er een advocaat op om je te vervolgen wegens laster, die heren hebben nog altijd de middelen om de beste advocaten te betalen.”
“Lomme, zo ver komt het niet. Ik beschuldig niemand, ik stel me alleen maar vragen. Ik onderstel en speculeer.”

Lena die de foto had zitten bekijken die Lomme haar had doorgegeven zei nu: “Ik ken ze ook, alle vier, wie zou ze niet kennen. Ik heb er nog mee gedanst. Vier jongens met veel air, toen al met veel jannenstreken en ze zijn zo gebleven. Het waren er die dachten dat iedereen voor hen moest plooien buigen of met hun pikkelen omhoog gaan liggen.”

Victor zei: “Ik mag dus aannemen dat die vier wolven op de foto met Roodkapje er voor niets tussen zitten. Tenzij mijn moeder, zoals ik heb gezegd, ze op een dwaalspoor heeft willen brengen.”
“Om ze geld af te troggelen,” zei Lena, “dat geloof je toch niet. Zo was Pauline niet. Ze sliep niet met de eerste de beste, zeker niet met een van die vier. En geld aftroggelen? Toen was er nog geen tv, op tv gaat het allemaal vanzelf.”
“Met wie heeft ze gelopen, Lena, jij kunt dat weten.”
“Met Louis Wouters. Dat bleef bij dansen in het dorp met de kermis en hij mocht haar naar huis brengen. Maar Pauline was slim genoeg om te weten dat hij en de andere rokkenjagers er zuiver op uit waren het met iemand als zij te kunnen doen, om levenservaring op te doen zoals die smeerlappen dat noemden, maar trouwen beneden hun stand of hun fortuin, daar kon geen sprake van zijn.”
“Mijn stand was dus te min voor dat soort volk,” zei Victor, “maar de tijden zijn veranderd, het dorpsleven is niet meer wat het is geweest.”
“Wie treurt daarom,” zei Lena, “ik ben nog in mijn stand getrouwd, met Corneel. Ik zou het niet mogen zeggen maar ik heb later betere kansen gehad. In deze nieuwe tijd zou ik niet meer twijfelen.”
“Ik weet wat je bedoelt,” zei Lomme.
“Hoe kan dat, het was mijn geheim.” Ze wist dat hij zinspeelde op weduwnaar Liebaert waar ze jarenlang dienstbode was geweest, maar niet inwonend.

“Wat ga je met die foto verder doen? Die mannen ondervragen? Of hun ouders lastig vallen, die zijn dood of gaga, als ze niet hier in Zilverschoon zijn zitten ze thuis naar de sterren te kijken zonder te beseffen wat ze zien.”

“Ik ga niets doen,” zei Victor Goethals, “wat dacht je, dat ik detective wou gaan spelen? Ik wou er eens over praten met mensen die jong waren samen met Pauline. Bij de schoonmaak zijn die foto’s voor de dag gekomen, ik weet zo weinig van mijn moeder en met wie kan ik er anders over praten dan met mensen als jullie. Jou en Lena vind ik geschikte mensen om over mijn afkomst te spreken. Mane zwijgt erover in alle talen, hij is mijn vader zegt hij en Ida herhaalt altijd maar hetzelfde.”
 
De volgende foto uit de portefeuille van Victor was een de foto genomen rond 1937 voor het kasteel van het Hof ter Wolvendonck. Baron René de la Chooze stond in het midden tussen Pauline en Lena, die nu naast hem zat. Lena bekeek het kiekje.
“Toen zag ik er nog goed uit,” zei ze met enige trots.
“Ook nu nog,” zei Lomme met een knipoog naar Victor.

Goethals pakte een derde foto. Die toonde Pauline met Lena, arm in arm op de IJzeren Leen in Mechelen, hij herkende het stadsgezicht, hij was er meer dan eens geweest. Op de foto was Pauline ongeveer zo oud als op de carnavalfoto. Ze droeg een jurk en zijden kousen en haar haar was opgemaakt, geen kniekousen meer of een zedige strik in sluike haren. Om haar hals droeg ze een halssnoer dat er uitzag als van goud met edelstenen, het halssnoer dat in de schoendoos lag en dat hij nu bij zich had in zijn tas. Hij vroeg Lena of zij zich de foto herinnerde.

“Ik heb zelf ook die foto,” zei Lena. “We zijn naar Mechelen geweest om naar de winkels te kijken en om de waarde van haar halssnoer te laten schatten.”
“Dit,” vroeg Victor en hij haalde het halssnoer uit de tas.
“O, jij hebt dat? Het is dus niet gestolen. Mooi hé? Ze had het gekregen van baron René. Een soort aandenken.”
“Of beloning,” zei Victor met een bittere trek, “het lijkt me niet veel waard, een juweel uit de grabbelton.”
“Niet waar, het is van zuiver goud, het is veel waard, het is heel veel waard,” zei Lena. “En de steentjes zijn diamanten. Dat heeft de juwelier ons gezegd.”
“Had zij dat zomaar van de baron gekregen?”
“Waarom niet? Ze lag in zijn gratie.”
“Vond de juwelier het niet vreemd dat twee meisjes van nog geen achttien in het bezit waren van een halssnoer dat heel veel geld waard was?”
“Dat zal wel,” zei Lena, “want hij vroeg de pas van Pauline, schreef die over en toen leek hij gerustgesteld. Dan kon hij haar altijd terugvinden.”

Victor borg het snoer weer op en haalde nu een paar handschoenen in een kartonnen verpakking uit zijn aktetas.
“O die ken ik, die komen nog van mij,” zei Lena geroerd, “het arme kind heeft ze amper een paar keer gedragen. Ze zitten nog in de geschenkverpakking.”
“Ja, maar die is beschadigd, van binnen stukgescheurd, kijk de binnenbekleding van de doos is losgetrokken. Toen maakten ze nog mooie dozen, dure dozen, iemand zal gedacht hebben dat er geld in verborgen was. Er werd gezegd dat mijn grootvader Pol op zoek was naar het geld dat ze zou gekregen hebben om te zwijgen. Had ze dat?”
“Erg vrijgevig was de baron niet,” zei Lena, “maar een halssnoer uit het erfgoed van zijn familie kon er misschien wel af, al heeft het hem zeker zeer gedaan.”

Lomme zei: “Je moeder heeft een tijd met Louis Wouters gelopen, die Louis scheen zich van standenverschil niet veel aan te trekken, van huis uit waren het kleermakers. Het begon op verkering te lijken en opeens gingen ze uiteen. Een aantal maanden later ben jij geboren. Wat was er aan de hand, denk je? Pauline werkte bij de baron. Men beweerde dat de baron de jonge meisjes niet met rust kon laten. Ik geloof dat niet. Ik kwam nogal eens op het kasteel voor allerlei zaken, optreden tegen stropers bijvoorbeeld. Dan bood de baron mij een borrel aan en we maakten een praatje. Pauline kwam ons die borrel inschenken. Ik zag hem haar nakijken, die kerel was verliefd op dat mooie ding. Hij liet het me ook verstaan. Die kan pensen maken met haar ogen, zei hij, en met zo’n lijf kan ze met een hele rijke trouwen. Het zou spijtig zijn dat die schoonheid op de mesthoop zou terechtkomen. Dat zei de baron.”

“Wat weet je nog, Lomme?”
“Van horen zeggen veel,” zei Lomme. “De baron zou gedreigd hebben Pauline en haar ouders uit hun huisje aan de Deel te zetten als ze niet met hem sliep. Maar dat geloof ik evenmin.”
“Zou de baron de moordenaar van mijn moeder kunnen zijn. Om de sporen van zijn vaderschap uit te wissen. Maar waarom heeft hij mij dan laten leven? En heeft hij haar dat halssnoer gegeven, een erfstuk.”

Lomme schudde zijn hoofd en zei: “Vaderschap kon toen nog gemakkelijk ontkend worden, zeker door grote heren. En de baron had niet het gestel om drie mensen op die manier om te brengen. Het moet iemand geweest zijn die op buit uit was. Iemand moet gedacht hebben dat Pauline geld gekregen had om haar kind groot te brengen of zwijggeld, waar Pol het over had als hij gedronken had. Zelfs als het niet waar was wat Pol uitkraamde, kon iemand het gehoord hebben en er zich meester willen van maken, dan in huis betrapt, herkend en het vervolg kennen we. De dader of daders zijn op zoek geweest naar geld, maar ze wisten niet dat het halssnoer een fortuin waard was en hebben het laten liggen. Het moet daar open en bloot gelegen hebben, ze moeten gedacht hebben dat een jong meisje geen dure spullen kon bezitten, wat waardeloze prullen, verguld koper, daar wilden de rovers zich niet mee verraden. Ik was niet bij het onderzoek betrokken, dat was werk voor de moordbrigade van de gerechtelijke politie. De mogelijke rover moet gedacht hebben dat Pauline geld gekregen had om haar kind groot te brengen en geen waardeloze halsketting.”

“Waar lag het halssnoer, Lomme en waar lagen de handschoenen,” vroeg Victor.
“Het halssnoer lag in de lade van het nachtkastje en de handschoenen op de grond, naast het doosje. Ze zochten naar iets op de kamer van Pauline, geld, waar konden ze het anders op gemunt hebben?”
“Hoe zag de kamer van Pol en Constance eruit?”
“Ik heb het al gezegd, waarschijnlijk is daar niemand binnen geweest. Het bed was nog opgemaakt. Ze lagen nog niet in hun bed, ze hadden hun kleren nog aan, geen van de drie lijken lag in zijn eigen slaapkamer. Ook de stapels wasgoed hebben ze niet aangeraakt omdat ze wisten dat daar onmogelijk iets in kon verborgen zitten, dat wasgoed werd binnen de week afgehaald.”
“Dus geen passionele moord, geen moord om Pauline te doen zwijgen en hun naam en eer te redden, maar een doodgewone roofmoord”
“Een roofmoord is nooit doodgewoon. Ik heb altijd presumptie gehad maar durfde er niet mee voor de dag komen.”
“Wie zou jij dan ondervraagd hebben?”
“Al wie de dag van de moord naar het huisje was afgezakt om iets te zien te krijgen. Iedereen weet toch dat de moordenaar terugkeert naar de plaats van de moord.”
“In misdaadromans is dat zo,” zei Victor.
Lomme liet zich niet afleiden. “Dolf Malfait de hovenier van het kasteel is ook komen kijken. Het kasteel beschouwde Dolf als iemand van de familie. Ik kon niet in zijn buurt komen, zeker niet om hem te ondervragen, ik had geen enkele bevoegdheid in die moordzaak.”

“Dolf Malfait,” zei Lena, “die heeft nog achter mij gelopen en achter Pauline, maar hij kon ons niet krijgen. Wij vonden hem nogal een rare, geen kwade, maar niet iemand om mee te trouwen.”
“Dat was Corneel feitelijk ook niet,” zei Lomme.
“Weet ik,” zei Lena, “ik had misschien nog beter Dolf genomen, maar een leven verloopt niet altijd zoals je dat zou willen.”

Dolf Malfait de tuinman van het rusthuis, altijd overal aan het luistervinken, stond een tiental meter van hen vandaan met een spade de rand van de aardeweg bij te werken. Dolf was de zoon van Josephine Malfait, die haar leven lang op het kasteel in de keuken had gestaan. Dolf, die zijn leven lang op het kasteel had gewoond, was nu met pensioen, was vrijgezel gebleven, had zijn kamer in het rusthuis mogen houden deed klusjes in de tuin van het vroegere landgoed, nu in dienst van de gemeente die hem een kleine vergoeding betaalde voor zijn werk.

Lena deed teken om tot bij hen te komen. Ze vroeg Victor hem het halssnoer van Pauline te tonen en zei: “Heb je Pauline dit nog weten dragen? Ze had het van René van het kasteel gekregen voor haar verjaardag, een stuk van veel geld.”
“Veel geld,” zei Dolf verbaasd, “die halsketting! Iedereen zei dat het een stuk was uit het zaagmeel maar dat ze wel een pak geld gekregen had om te zwijgen over wat iedereen wist. Maar de stomme trut wilde geen geld aannemen, ze had genoeg aan dat stomme prul van een halsketting waar ze kinderen blij mee kunnen maken. Meer is in haar kamer niet gevonden.”

Lomme keek verrast op en stapte in zijn oude rol van politieman: “Waar haal je dat vandaan,” vroeg hij. “Ik mocht je niet ondervragen, dat was weggelegd voor de rechercheurs, maar ik heb wel hun verslagen mogen inkijken, dat waren geen staatsgeheimen, maar voor het geheim van het onderzoek is nooit bekend gemaakt wat wel en wat niet is gevonden. Ik kan je nu wel zeggen dat er geen geld is gevonden, als er dat geweest was, was de moordenaar er mee weg. Maar hoe kon jij weten dat er niets is gevonden?”
“Lomme heeft mij verteld dat jij naar de plaats van de misdaad bent komen kijken en men zegt dat misdadigers terugkeren naar de plaats van de misdaad,” zei Goethals die een tijd gezwegen had.
“Kom zeg,” zei Dolf, “dan stonden er meer dan honderd misdadigers, van groot tot klein. En ik had een alibi voor die dag.”
“Daar heb ik niet om gevraagd,” zei Lomme, “Dolf, maar nu je er zelf over begint, zomaar voor de pret, waar was jij de avond dat Pol, Constance en Pauline werden omgebracht. Zowat iedereen in het dorp is op de rooster gelegd, wat wist jij te vertellen?”
“Dat ik thuis was,” zei Dolf.
“Jij weet dat nog zo goed?”
“De politie heeft mij toen verhoord. Ze vroegen een alibi.”
“Dat vroegen ze iedereen,” zei Lomme.
“Waar haal je dat woord alibi vandaan,” vroeg Victor.
“Ik heb het onthouden. Ze hebben het mij uitgelegd.”
“Bij wie was je die avond, iedereen kan zeggen dat hij thuis was,” drong Lomme aan.
“Ik was op het kasteel, dat was mijn thuis, ik was in het park bezig, als altijd.”
“Het is in de nacht gebeurd, Dolf. En heeft de baron verklaard dat hij je daar in zijn park heeft gezien?”
“Dan was ik op mijn kamer. Ik had een alibi, de baron heeft daarvoor gezorgd, en daarmee uit.”
“Ja natuurlijk, je had bij Pol niets verloren.”

Lena kwam plots tussen: “Je was zot van Pauline, we hadden het daarnet nog over.”
“Wie was dat niet,” zei Dolf.
“Je kon haar niet krijgen.”
“Niemand kon haar krijgen, ik wel, als de rijken het beu waren met haar te spelen. Met een voorkind geraakte ze niet zo gemakkelijk meer van de straat. En met het geld dat ze had gekregen hadden we het een eindje kunnen rekken.”
“Hoe ben jij er achter gekomen dat Pauline geld was toegestopt door de baron,” vroeg Lomme, “toch niet door die praatjes van haar vader Pol.”
“Niemand geloofde zatte Pol. Ik had Pauline en Lena afgeluisterd. Pauline zei dat ze een schat gekregen had. Wat kon het anders zijn dan geld, een baron geeft geen erfstukken aan een meid.”
“Je wist dat ze een halssnoer gekregen had?”
“Natuurlijk, ze droeg het. Kinderen kun je blij maken met een dode mus.”
“Daarom heb je het laten liggen toen je haar kamer overhoop hebt gehaald op zoek naar het geld?”
“Er was geen geld. Had ik geweten wat de collier zoveel waard was.” Hij zweeg plots.
“Dan was het de moeite waard geweest drie mensen om te brengen,” zei Lomme, “hoe ben je zo stom kunnen zijn.”
“Ik was niet stom, zij was stom,” zei Dolf, “had ze mij gezegd dat het ding zoveel waarde had, het lag open en bloot op het nachtkastje. Met het geld daarvan had Pauline met mij een goed leven kunnen hebben. Met een voorkind had ze niet te kiezen en met mij zou ze een goed leven kunnen hebben, samen op het kasteel.”
“En de baron uitmelken,” zei Lomme.
“Met het geld in handen kon ik alle kanten op en als die trut mij niet wilde kon ik zonder haar mijn weg gaan.”

Dolf Malfait haalde zijn schouders op, hij besefte dat hij teveel had gezegd. “Voorts ga ik zwijgen,” zei hij, “straks maken jullie er een bekentenis van. Ik beken niets, je kunt mij niets doen, ik heb gezegd dat er geen geld lag op haar kamer, meer niet, en nu hoor ik van jullie dat de collier veel geld waard is, waarom zou ik achter speelgoed gaan? En ik heb het alibi van baron René, het is zo opgenomen in het onderzoeksverslag en de baron is dood, daar valt niets meer aan te veranderen.”

Lomme stelde geen verdere vragen, Dolf Malfait keerde zich om en liep terug naar zijn karwei, de onverschilligheid zelf, naar de parkweg die hij aan het bijwerken was. Was hij zich bewust van het feit dat hij zich had verpraat of was hij ervan overtuigd dat ze hem niets konden doen want hij had een alibi, daar had de overleden baron voor gezorgd. En hij kon altijd zeggen dat hij wist wat iedereen wist over de toestand in de kamer van Pauline zoals Lomme die had vastgesteld.

“Heb ik daar geen bekentenis van een drievoudige moord gehoord, Lomme, kun jij niets doen,” vroeg Victor Goethals ontsteld, “je hebt twee getuigen, met jou erbij drie.”
“De feiten kunnen verjaard zijn, maar hij moet aangeklaagd worden en de feiten openbaar gemaakt. Het forensische materiaal bestaat misschien nog. Als ze het dossier heropenen wordt hij misschien niet vervolgd maar dan kunnen veel geruchten en verdachtmakingen uit de wereld worden uitgeholpen. Dan gaat iedereen vrijuit, de baron, die nu dood is, en iedereen die ooit belasterd is geweest, en jij bent er zeker van dat de man die je gemaakt heeft niet de moordenaar is van je moeder,” besloot Lomme.
“Dat is al iets,” zei Victor.
“Dat is heel veel,” zei Lena.
“Kom mij niet vertellen dat je op een passionele moord hebt gerekend, doodslag uit jaloerse liefde voor je moeder. Een van de rijken uit het dorp of de baron die jaloers was omdat ze zich met de jongemannen uit het dorp ophield en haar uit wanhoop of wraak de keel doorsneed. Drama, drama, geen moord om geld maar passie.”
“Als je dat denkt,” zei Victor, “zou je hier naast een geesteszieke zitten. Een passionele moord zou natuurlijk groot nieuws zijn geweest, maar mijn moeder is slachtoffer van een roofmoord, een geval van vulgaire, doodgewone, dagdagelijkse hebzucht, het chronische kwaaltje sinds Kaïn en Abel dat nog in alle eeuwigheid buren, families, vrienden en volkeren bloed zal kosten. Dat maakt mij bang.”
“Je ziet het veel te groot”, zei Lomme, “het leven is de Bijbel niet.”

 Ze bleven nog lange tijd op de bank zitten, in gedachten verzonken tot Lomme zei: “Ik zal zien wat ik kan doen om Dolf te stroppen, ik ken wel iemand.”


Geen opmerkingen: